dinsdag 13 september 2016

Absint in Brno

Terwijl ik druk bezig was me ontheemd en neerslachtig te voelen in een parkje in Brno, kon een van de vele persoonlijksheidsfracties die mijn inner voice besturen het niet nalaten me toe te fluisteren dat komend geluk nu quasi gegarandeerd was. Ik had mijn dieptepunt bereikt en ik voelde (instinctief?) aan dat er geweldige gebeurtenissen in het vooruitzicht lagen. 'Na regen komt zonneschijn', en soortgelijke clichématige shit. 

Dus, nadat ik dit neergepend had in mijn niet-representatieve reisdagboek - Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije stonden nog over een arbitraire grensverdeling getypt en Kosovo en Macedonië schijnen nog niet te hebben bestaan - besloot ik om mijn positieve, stinkende combats ter hand te nemen en blootsvoets naar die andere soloreiziger te wandelen om een praatje te slaan - want zo begint men een avontuur. 
De jongen was beschamend timide, maar hij beschikte over net voldoende kennis van de Engelse taal om een praatje mee te kunnen slaan, so goal achieved. Ik inviteerde hem om mee met mij op stap te gaan en met de locals op café te socialisen en daar had ik al wreed snel spijt van. Hij was zo'n verlegen muurbloempje dat hij niemand durfde te storen met zijn bestaan en zich zelf niet in mijn gesprekken durfde te mengen. Daarnaast zorgde zijn aanwezigheid ervoor dat we als koppel beschouwd werden, waardoor mijn aanwezigheid voor de mannen daar evenveel verwaarloosbaar belang had als een te kleine schuimkraag op hun pintjes van een halve liter. Ook voelde het vreemd aan om zelf het gesprek te starten met voornamelijk heren als je er al eentje mentaal aan je hebt plakken. But I did it anyway.

"Wat kan je goed?", is een doodgeknuppelde vraag waar ik nooit goed op antwoorden kan. 
Ik kan zien. Ik zie het hert dat ons aangaapt naast de autostrade. Ik zie welke spullen je nieuw aangekocht of van plaats veranderd hebt in je huis. Ik zie de vlekjes, barstjes en scheurtjes waar jij jarenlang naast hebt gekeken. Ik zie symmetrie. Ik zie schoonheid. Ik zie persoonlijkheden.

Ik zag de flikkering in iemands ogen en wist dat ik beet had. 

Toen ik me naast Interessant Individu 1 zette en de conversatie aandrukte, sprong de schwung al snel in ons gesprek. Hij verklapte waar je echte absint drinken kon, waar de alternatieve jongeren zich schuilhielden en hij gaf enkele interessante bezienswaardigheden prijs, zoals het naaktstrand en de swingers club. Blok Aan Been zat er voor spek en bonen bij en ging al gauw op een andere plaats oninteressant wezen. Finally free. Interessant Individu 1 moest mijn gezelschap wel inruilen voor dat van enkele vrienden, désolé, maar we spraken af dat hij me de volgende dag een rondleiding verschaffen zou. Voor mij zat er dus niets anders op dan de voorgestelde cafés met een bezoekje te eren. No, just kidding, uiteraard was het de swingers club waar mijn voetjes me naartoe troonden. D'uh.

Ik was de enige bezoeker, een bummer die ik pas ontdekte toen ik al aan tafel was aangeschoven voor een verkennend gesprek met de eigenaar. De zeer aimabele, sociaalvoelende baas sms'te ogenblikkelijk zijn voltallige klandizie en, terwijl we op Godot zaten te wachten, gaf hij me een guided tour door zijn etablissement. Nette badkamer, volwaardige bedden, loungezetels, gloryholes en zelfs een sm-kamer. Als je ooit, tijdens illustere avonturen, een meubel tegenkomt dat lijkt op een groot uitgevallen kinderstoel met een citruspers in verwerkt, weet dan dat er toch alvast één Vlaming rondloopt die het nut hiervan kent. In elk geval een voorbeeld van toonaangevende menselijke creativiteit.
Na de rondleiding zaten de baas, zijn vrouw die net grotere borsten had aangeschaft, de sitebeheerder en ik Facebook te checken, af en toe wat woorden wisselend, wachtend tot iemand zou arriveren. Ongemakkelijk beschrijft het best mijn gevoel van toen. Heck, mijn bandeloze nieuwsgierigheid had me naar daar geleid, maar op dat moment was ik liever ergens anders geweest. Beleefdheid liet me echter blijven - tenslotte was er hoogstwaarschijnlijk iemand onderweg naar hier, speciaal voor mij. 

Die iemand bleek Average Dude Mc Average te zijn. Hij was ongeveer even oud als ik, en dat is al direct de stop van zijn positieve punten. Qua uiterlijk was hij onopvallend, tot het saaie af. Hij sprak geen Engels, durfde me niet in de ogen te kijken en zijn hand beefde onnodig angstig als hij zijn koffietje roerde. Ja, aan de komende awkwardness viel niet te ontsnappen. De baas kon mijn njet overbrengen en ik vertrok haastig, balend over zoveel verloren tijd. Het was ondertussen al middernacht, middernacht op een woensdagavond, damn, hoeveel cafés zouden er nog open zijn? Fors snelde ik naar de absintbar, die zowaar nog open en bevolkt bleek te zijn. Rustig, maar niet doods.

Bij het binnenkomen viel mijn alziend oog direct op een gouden krullenbol, maar hij maakte zich op om naar buiten te gaan, en ik was veel te zenuwachtig geraakt door de tijdsdruk om hem dan ongedwongen aan te kunnen spreken. Dus ik keek gepijnigd naar zijn wegwandelende rug, ging zitten, kalmeerde, trok iedereen door mijn netvlies en er zat hoegenaamd niets interessants bij. Damnit. Met terug verergerende zenuwen verliet ik de zaak om te ontdekken dat de jongen nog buiten stond, met zijn vrienden. Even weifelde ik. Toen vroeg ik of ik erbij mocht zitten en de band was gesmeed.
Het gezelschap studenten was uitermate vrolijk, wat misschien te wijten valt aan het bier, de absint, de acid en de shrooms die ze verorberd hadden. Als licht gestoorden waggelde en wankelde de groep daar 'where the lights are'. Mij allemaal om het even. Toen kwam de xtc eraan en de maan werd nog mooier dan anders en onze vrolijkheid bracht ons naar een zwembad waar er effectief kleurige spotlights naar de hemel werden gericht en de lichten waren betoverend en de muziek zat goed en er druppelde liefde van mond naar mond. We hadden er onze tijd en af en toe een pauze ("Look at how beautiful the moon is." *legt zich neer* "So beautiful.") voor nodig, maar al schaterend kwamen we bij hem thuis aan, waar we goed en zeer weinig hebben geslapen.

's Ochtens kreeg ik als ontbijtvariëteit gestoofde ajuinen voorgeschoteld en 's middags kwam ik mijn afspraak na met Interessant Individu 1, die zijn stad en bed met me deelde en me meenam op restaurant. Terwijl ik eend met honing en dumplings zat te eten, kreeg ik een sms'je dat desondanks de verhakkelde taal niets aan de twijfel over liet: de gouden krullen waren verliefd op me geworden. 
Het gebeurt niet vaak, maar daar wist ik even niets op te antwoorden. Ik liet mijn compagnon het sms'je lezen onder de vragende wanhoop wat ik daar nu mee moest aanvangen. 
Verliefd worden op een meisje dat de dag erna het land alweer verlaten zal, is geen goed idee. Maar het was een knappe, lieve en zachtaardige jongen en ik wou hem gaarne nog een paar keer tegenkomen in mijn leven. Dus ik hield kwetsende waarheden achterwege en sms'te hem om af te spreken. Die avond dronk ik voor de eerste keer in mijn leven absint. De dag erna vertrok ik weer.

Voor het aanraken van zijn twintigjarige hart gaf hij me een ketting cadeau. Normaal ben ik te oud voor zo'n frivoliteiten, maar het was zo'n puur, oprecht en ongedwongen gebaar dat het me roerde. De lucht was donkergrijs en goot water over mijn bus uit toen ik Brno verliet - symbolische ruimte! - maar mijn hart klaarde samen met de zon op. Alles verliep die middag fantastisch: ik had snel een lift te pakken, die me joviaal een liter lokaal gebrouwen zoete wijn toestopte, een Weense dame gaf me nuttige informatie over een gratis festival dat die dag plaats zou vinden, een pen en vijf euro cadeau, op het festival vond ik mdma en een slaapplaats en alles was goed. Ik zou zelfs zeggen dat het haast té warm aan het worden is.

zondag 4 september 2016

Verf aan mijn vingers en spatten op mijn hart.

Ik zou verder moeten schilderen, een tweede laag groen op mijn strepen voor de verf in het verfbakje opdroogt, maar ik luister stilletjes naar Parov Stelar en huil net niet. Het is vreemd hoe dagdagelijkse dingen, zoals de naam van een straat of een hond, een station waar je midden in de nacht belandt omdat een hoogspanningskabel vol ballon je een totaal ander traject laat afleggen, het beluisteren van liedjes op YouTube... een connotatie gekregen hebben die er oorspronkelijk helemaal niet voor bedoeld was. 

Parov Stelar liet me altijd dansen, in een ander huis en een andere tijd, en terwijl ik dit schrijf komen er herinneringen van toen - de lichtinval. De lentezon die ons van haar kracht probeerde te overtuigen - binnengekropen en mijn toenmalige geluk wordt psychisch net niet tastbaar. Ik kan de zon net niet zien, net niet haar warmte voelen, net niet merken hoe mijn lippen toendertijd naar boven waren gekruld en mijn voeten van links naar rechts bewogen. Wanneer ik denk in de herinnering te kunnen kruipen, vervliegt deze weer, met elke vleugelslag een grammetje treurende, hunkerende, zinloze nostalgie achterlatend.

Ik kan er met niemand over praten. Verdriet is sowieso al niet het meest bespreekbare, gewaardeerde onderwerp, en als je dan verdrietig bent over een hartenbreker is het vaatje sympathie snel opgedronken.

Pizza. Opgewarmde pizza van de dag ervoor al swingend opeten. De kruimels van de vloer rapen. Naar de badkamer dansen en even door het raam naar de lente kijken. Toen wist ik al dat het geluk was, broos geluk, maar dat het zo broos zou blijken te zijn, nee, dat had ik niet verwacht.

"Je weet dat het een klootzak is. Mocht hij nu eerst heel erg lief geweest zijn en dan geleidelijk in een klootzak zijn veranderd, dan was dat iets anders. Maar hij was al van in het begin een klootzak en je weet het."

En ik zeg niets, want wat moet ik zeggen? Dat liefde, zelfs die van een emotioneel geretardeerde autist, niet rationeel is? Dat ik verstandelijk perfect besef dat hij me vroeg of laat psychologisch gewurgd zou hebben, maar dat dat mijn brein er niet van weerhoudt voornamelijk te focussen op de rozewolkjesperiode? Dat ik die rozewolkjesperiode verdomd hard mis? Dat ik zijn ongeduldige, asympathieke opmerkingen toen nog niet eens zo erg vond, zolang hij maar een beetje van me hield? Dat ik in zijn gemene kantjes mezelf had herkend, of hoe ik had kunnen zijn? Dat hij overdag dan wel niet de meest aimabele jongen ever was, maar dat hij 's nachts daar wel naar transformeerde?

Hoe kun je de schoonheid van iemands ogen uitleggen? De nooit eerder gevoelde zachtheid van een rug? De geur van baardolie? Dat iemand uit (onterechte) frustratie zijn tanden naar je ontbloot en dat je voor het eerst beseft dat je niet de enige bent die dit doet?

Hoe kun je duidelijk maken dat mensen meerdere persoonlijkheden kunnen hebben? Dat ze overdag nors, nukkig, hard, ongeduldig en wreed kunnen zijn, maar dat je geluk een hoogtepunt kende wanneer je 's nachts in hun armen sliep? 
Zijn overheersende kutwoede zal het hem nooit toelaten het te bekennen, maar in de nachtelijke rust werd hij een ander, kwetsbaarder, oprechter iemand - en dan hield hij van me. In de late/vroege uurtjes kon ik eindelijk open met hem praten over Verdriet, Pijn, Liefde en Verwachtingen, zonder dat er ook maar een spatje ergernis mee gemoeid was. 

"Zijt ge verliefd op mij? Stop er maar snel mee."

Niemand is 'gewoon' een klootzak. Hoeveel relationeel onaanvaardbare shit er ook gebeurt, er zijn altijd wel voldoende sprankels schoonheid, herkenning, interesse, liefde en lust aanwezig die de onaanvaardbare shit aanvaardbaarder maken dan zou mogen. En als je te hard focust op wat was en wat had kunnen zijn - mits een ander deterministisch verleden - dan kan het gebeuren dat je jezelf in je zetel treft, met je reisdagboek in je hand, Parov Stelar op YouTube, aangekoekte groene verf in het verfbakje, tranen in je hart en de woede die in je zit, die altijd wel ergens in je zit verscholen als een prehistorisch overblijfsel, een wild beest dat ervoor zorgt dat je je nooit mens voelt zoals de anderen, dat je de hele mensheid soms tegen de muur zou willen zetten en afschieten, je familie en vrienden en jezelf erbij, alleen om rust in je ziel te krijgen, wel, die woede opent bruusk je lippen en gromt en brult zo luid mogelijk alle haat eruit en je hist razend (teleurgesteld) omdat de enige persoon die hetzelfde deed zichzelf niet toe staat menselijk en zwak te zijn en lief te hebben.

donderdag 1 september 2016

Tsjechische dip

Vandaag zit ik er voor de eerste keer een beetje door. Er brandt oorzaakloos verdriet achter mijn ogen en ik voel me moe, uitgeput en alleen. Mijn gemoedstoestand zal wel te wijten zijn aan een gebrek aan slaap (In Krakau een nachtje gepintelierd en de daaropvolgende nacht luidruchtig gewekt geweest en te lang wakker gehouden door andere, rumoerige pinteliers, in Wroclaw mee moeten opstaan om zeven uur 's ochtends met mijn gedoctoreerde, vakantieloze liftjes en gisteren ook een te korte kutnacht gehad - waarover later meer.), eten (Vermits ik leef als een berooide schooier moet ik het vaak met twee maaltijden per dag stellen: ontbijt en diner. Vandaag zat er negen uur tussen.) en fijn, niet-elke-dag-veranderend gezelschap.

Het reizen zelf vormt geen enkel probleem - al moeten ze me toch niet al te vaak meer op de snelweg droppen. Naar Warschau (overigens geen bezoek waard) heb ik, begeleid door menig geclaxonneer, een tijdje op de pechstrook kunnen wandelen, snel ontsnappen door de voetgangersuitgang, in een of ander roemloos dorp terechtkomen en daar toch nog een rechtstreekse lift vinden... met een Pool die net Jezus herontdekt heeft. Liftje ging niet via de snelweg zelf en duurde zo'n zes jolige uren. Om drie uur 's nachts in zijn ouderlijk huis toegekomen. De dag erna heeft hij me nog een beetje rondgeleid in Warschau, waar ze beren tentoonstellen zoals wij hertjes, maar waar er voor de rest niets bijzonders gaande is. Van ons twee was ik de enige die de vrolijke bedelaar bij het rode licht als mens behandelde en hem niet als onzichtbare schandvlek probeerde te negeren, maar dat terzijde. Kritiek op de hypocrisie van gelovigen is zo 2008. 
Ook deze dag werd ik op de snelweg afgezet, door zwangere moeder-met-kind-en-hond. Deze keer konden de auto's stoppen zonder gegarandeerd brokken te veroorzaken, en eentje deed het dan nog ook, maar toch. Ik haat het. De auto's scheuren je voorbij (op die momenten wordt x kilometer per uur heel erg tastbaar) en of je blijft wachten op een wondertje, of je loopt gepikeerd op de pechstrook voor godknowshowlong tot je een tankstation tegenkomt.
En je kunt er je achterwerk mee bezeren. 
Daarnet veel te haastig de auto willen verlaten, want ja, we stoppen op de friggin' snelweg en veel tijd om te leuteren is er dan niet, en met al mijn kracht, wat toch serieus wat is, ben ik tegen de zijkant van de auto gestoten. Morgen, wanneer ik een bad pakken zal met een fris biertje en een mooie jongen erbij, zal ik voor het eerst merken dat er een mannenvuistdikke bordeaux plek staat daar waar het pijn doet. Maar da's een vooruitwijzing, nu zit ik nog onwetend in een dipje.

Vandaag ging het liften redelijk vlot. Toen mijn Roemeense chauffeur niet meer in land van herkomst zou geraken en ik dan maar besloot naar Praag te gaan, voor de tweede keer in mijn leven, lukte dat op vijf minuten tijd. Het was enigszins leuk om eens op een eerder bezochte plaats terecht te komen, gevoel van herkenning enzo, maar het zorgde er wel voor dat ik 'alles' op drie uur tijd gezien had en dan dringend de horde toeristen wou ontvluchten. Brno. Toffe, mooie stad, dat wel, maar de meeste Midden- en Oost-Europese hoofdsteden lijken architecturaal gezien zo hard op elkaar dat het een beetje eentonig wordt.
Polen was een positieve verrassing: vriendelijkere mensen dan mijn vooroordelen hadden verwacht, mooie natuur en blitse pareltjes van steden. Krakau en Wroclaw zijn must see's. De laatste stad is vergeven van verdoken bronzen beeldjes en de schattigste fontein ter wereld staat daar ook. Impulsief een piercing laten zetten daar, wat het totaal uitgegeven bedrag nu op zo'n 65 euro brengt. 25 euro voor Auschwitz en 25 voor de piercing. Hoe the fuck ik een dikke week op vijftien euro overleefd heb? Talent. 

Tot nu toe heb ik één keer buiten moeten slapen (wat me misschien vandaag ook te wachten staat, als ik geen enkele sympathieke inhabitant opscharrelen kan), twee keer in een kraakpand, vier keer bij mijn lifts en twee keer als verstekeling in een hostel. Eén keer heb ik bij iemand aangebeld om achter eten te schooien en vrijwel direct werd mijn maag gespijsd. Als ik bij iemand blijf slapen koopt/bereidt die meestal avondeten en 's ochtends kan ik daar dan ook nog wat ontbijt meegrabbelen, met soms wat surplus erbij. Dat ik niet naar museums ga en mijn historische honger stil met architectuur, helpt ook. Alles loopt vlotjes.
Soms heb ik kou, soms heb ik honger, soms doen mijn benen pijn van te lang stilzitten in een auto, en soms van te veel wandelen in de steden. Nog niet vermoord, beroofd of verkracht geweest - al was gisteren een close call. Ah. Het te korte kutnachtjesverhaal.

Gisteren wou mijn sympathieke en betrouwbare Roemeense truckchauffeur het bovenste deel van zijn stapelbed niet aan een quasi onbekende (moi) afstaan, omdat hij mij (zichzelf) niet volledig betrouwde. Dus dan kwam hij op het formidastische idee mij een slaapplaats aan te bieden in de truck van een andere Roemeense chauffeur, die hij van haar nog pluim kende en die geen woord Engels sprak. Geniaal. 
"Don't look at me like that", oftewel, 'Ogen die boekdelen spreken, volume één'. Soit, mijn chauffeur probeerde mij en zijn geweten te sussen door te wijzen op de maritale status, het vaderschap en de algemene betrouwbaarheid van chauffeur nummer 2. 
"He has promised nothing will happen. You can sleep there completely safe, I promise." 
En ik twijfelde. Misschien beoordeelde ik de tweede chauffeur inderdaad te haastig en zou ik hem wel mijn vertrouwen hebben gegeven als hij Engels sprak. Misschien was hij inderdaad een betrouwbare vader. Dus toen mijn originele chauffeur me zijn gsm-nummer gaf "so you can call me if something would happen, which won't be the case", stapte ik, licht tegen mijn goesting, in het bovenste bedje van de tweede chauffeur.

Blijkt dat het bijzonder moeilijk slapen is als er midden in de nacht een halfnaakt, schraal Walter White-mannetje naast uw bed om seks begint te bedelen. Voor hem was zijn verbale handicap wat de Engelse taal betreft een voordeel, des te gemakkelijker kon hij doen alsof hij mijn "No" niet verstond. Blijkbaar horen woedende blikken, overtuigde nee-knikken en opgestoken, vermanende wijsvingers ook bij het Engelse vocabularium, want daar snapte hij precies ook de ballen van. Jongens toch.

Sinds ik alleen rond was beginnen trekken, had ik een schaar rond mijn nek gehangen. Diezelfde schaar had ik wijselijk onder mijn kussen gestoken, net naast mijn gsm. Ik had een wapen. Ik kon het gebruiken - en ik kon het niet. Hoezeer ik me ook bedreigd voelde door die verlepte vent die maar bleef aandringen, me af en toe aanraakte en de dekens naar boven trok (bummer, al mijn kleren nog aan) en die bovenal geen enkel respect toonde naar mijn obvious weigering toe, ik wist dat ik nooit mijn schaar naar hem zou kunnen richten, let alone ermee steken. Dus ik nam mijn ander wapen. 
"Come now. He's touching me." En toen kon ik eindelijk slapen bij chauffeur nummer één, wat vanaf het begin al de meest logische oplossing was geweest, en ik was veilig en alles was in orde en jeej. Dit was wel een zeer goede reminder om mijn buikgevoel altijd te blijven volgen, tenzij het wederom onze maag is die niet begrijpt dat er om economische redenen gevast wordt.

Ik koop niet graag eten. Ik ben een vlijtige verzamelaar van oude en nieuwe herinneringen, dus waarom zou ik mijn kostbare geld ruilen voor iets wat gedoemd is tot cloaca te vergaan? In Krakau verkochten ze wel een zalig worstje van ochottekes vijftig cent per honderd gram, en ik heb ook al croissants gekocht en een krokant pizzabroodje. De decadentie.
Vandaag voor de volledige twee euro vijf gebakjes gekocht, maar ik heb er nu dikke spijt van, want gebak is maaltijd noch voedzaam, en ze smaken allemaal naar dezelfde suiker. Misschien dat dit mijn dipje getriggerd heeft, who knows, maar ik mis mijn bedje een beetje, en mijn havermout (met appel, banaan, lijnzaad, nootjes, kurkuma en gember!), mijn thee, mijn FUCKING INTERNET - ik heb nul de botten verbinding met mijn nieuw gekregen oude smartphone, zal wel aan mij liggen - mijn vrienden, mijn verdomde hartenbreker en zelfs mijn kleine hamster, die tijdelijk bij opvangcentrum Damian is geplaatst.

Straks ga ik de plaatselijke cafés uitchecken; zo weinig mogelijk zelf bestellen, hopen op gratis drank in ruil voor mijn charmes, kinderlijke eerlijkheid en positief enthousiasme - en dat terwijl ik al vijf dagen dezelfde sokken rond mijn voeten heb. 'Ze stinken' is een understatement. Hoe hard zou ik nu al stinken? Ik was me wanneer mogelijk, maar ik draag dacht en nacht dezelfde kleren. Mijn haar is gewassen, maar slecht gekamd en ik voel hoe bepaalde haarlokken naar dreads willen transformeren. Soms verbaast het me dat mensen mijn aanwezigheid blijven opzoeken. - en hopen dat er in het beste geval meer dan een slaapplaats te versieren valt. Vooralsnog enkel Australië gehad. 

Cross fingers en wens het verleden geluk.

zaterdag 27 augustus 2016

Poznaninpolinskaja

Het giet als ik de auto uit spring, Poolse bodem op. Ik bedank mijn lift uitvoerig en gemeend, like always, en ik stap zo snel en zo ineengedoken mogelijk in de richting waar ik meen naartoe te moeten gaan. Ik heb geen kaart, geen Google Maps, enkel een afdruk in mijn geheugen van de uitgestippelde route zoals die op de gps verscheen. Het regent en waait en ik heb het koud, maar verdomd dat ik nu in mijn rugzak ga rommelen, zoekend naar warme kleren. Ik ben nog steeds niet bang, maar de regen, de kou, het late uur, de twijfel of ik in het kraakpand terecht zal kunnen, het ontbreken van een routeplan en het besef dat ik nu echt mijn comfortzone uit ben, moederziel alleen in een land waar je nog nooit iets goeds over gehoord hebt en waar je, besef besef, geen gesproken noch geschreven woord herkent, maken me nerveus en gehaast.

Enkele Engelssprekende passanten googelen snel mijn bestemming en begeleiden me naar de tramhalte - tram 11, uitstappen bij Wieskopiestawhatever. Dus ik wacht en bibber verkleumd tot de tram arriveert. Twee haltes, en dan kan ik verder verkleumd bibberen op zoek naar de straat waar mijn nachtelijk onderdak zich zou bevinden. Ik verlaat met tegenzin de warmte en veiligheid van mijn gratis tram, vervloek de koude, kijk wat hulpeloos in het rond want waarthefuck is die straat nu? en tsjakkah, klaarblijkelijk sta ik er middenin. Het is een zielige straat, dat wel. Donker, kil en nergens een mens te bespeuren. Veel leegstaande woningen waar je altijd in het portaal zou kunnen slapen. Blijf zoeken. Links... ah nee, op het straatnaamplakkaat staan de huisnummers en ik ga de verkeerde kant uit... Rechts dus... Hier? Nee. Nee. Nee. Te ver? Echt? Ja. Terug... Weer te ver? The fuck? Terug... en ik vind de weg naar het kraakpand; een verscholen en bemodderd donker steegje. Als ik bij de met prikkeldraad beveiligde ijzeren poort kom, schiet er direct een geruststellend licht aan. Ik druk op de bel.

Niets.

Ik druk nog eens, met onverminderd optimisme.

Niets.

De komende minuten blijft het beldrukken (steeds langer en wanhopiger) de vaste repetitieve waarde van mijn avond. Ik vloek en sakker en spoor alle inwonenden telepathisch aan de deur open te doen. Ik probeer in te schatten hoe weinig schade ik op zou lopen mocht ik over het hek en de bijhorende prikkeldraad zou kruipen - want niets is zo bevorderlijk voor andermans gastvrijheid dan een beetje inbreken. De hemel gooit water op mijn hoofd en de aarde bewaart het voor mijn voeten, en ik ijsbeer nerveus door de modder en de plassen en ik vloek en belbelbel en bereid me al voor op een koude, harde nacht, verdomme.

Opeens is er licht, beweging, een paraplu, en twee mensen verlaten het domein en eentje betreedt het. Met forse tred verlaten we mijn natgeregende angst. Het pand bestaat uit verschillende gebouwen en, ondanks mijn nachtelijke slechtziendheid, vermoed ik dat het enorm uitgebreid is. Weinig graffiti, veel stickers en posters en een ongekunstelde gezelligheid. In de keuken, onder een zacht peertje en met de geur van pannenkoekenbeslag in de lucht, geef ik mijn Berlijnse referentie door. Ik mag blijven slapen. Vijf nachten zelfs, als ik wil. En pannenkoeken bakken mag ook.

Ik wacht tot de huidige pannenkoekenbakker - een jonge Zweed die geen Engels praten kan - zijn laatste, half verbrande, aangekoekte pannenkoek uit de zwaar pyromanisch mishandelde pan geschraapt heeft en dan begin ik eraan. Ik meng bloem en rijstmelk, meen dat er ook eieren in moeten, zoek eieren, vind niets, kluts nog een beetje verder, giet olijfolie in de pan, draai het vuur aan godsamme, veel te hard. Zachter. Nee? Niet moeilijk dat die een zo'n misbaksels van quasi gecremeerde pannenkoeken had gecreëerd. Veel vuur = veel deeg. D'uuh, kwak massa's klonterdeeg in de pan, die moeilijk vast te houden is met vijftig procent minder vijzen in de steel. Ik bak het ene meesterwerk na het andere en mijn ogen zijn zoveel groter dan mijn maag dat er nog een megasaurus van een pannenkoek overschiet nadat ik me al tot misselijkheid toe heb volgepropt. Bijhouden voor morgen. Tussen enkele pannenkoeken door stuur ik een sms naar mijn ouders: 'Ik ben pannenkoeken aan het bakken in een kraakpand in Polen'. Geruststellende sms'en, daar leef ik voor. Ondertussen is het al na middernacht. Ik kruip mijn bed in, veilig en warm, en val heel snel in slaap.

Vermits mijn bed in een afgelegen hoekje in de keuken staat, word ik vanaf een bepaald uur herhaaldelijk gewekt door keuvelende, ontbijtjesnuttigende mensen. Ik hoor, negeer en slaap verder. Als ik eindelijk de motivatie gevonden heb op te staan, ben ik alleen. Mijn pannenkoeken liggen nog in mijn maag te slapen, dus ik begin de dag met het verkennen van dit gebouw. Vrijwel onmiddellijk bots ik op een van de grote gevaren voor de reiziger: een free shop. Ik neem een shirt met lange mouwen mee en een korte broek, want ik heb nu al mijn meegenomen kledij aan en ik heb het nog koud. Er stond een geweldig paar schoenen, maar rationele ik begon me direct uit te kafferen, dus ik liet ze maar staan. In het toilet zorgde de lichtschakelaar ervoor dat er gelijktijdig een blazer en radio aanschoot. Hehe. Domotica. Sort of. 

Wegens gebrek aan een handdoek schudde ik me succesloos droog na de douche, deed mijn hoopje kleren weer aan, at mijn pannenkoek op, samen met de restjes van het eten dat ik in Berlijn gekregen had - aangebeld bij een chique huis en direct voorzien geweest van dikke sneden rozijnenbrood, kaas, tomaten, worst, appels, frisdrank en water - nam een pak havermout mee uit de gemeenschappelijke keuken want niets reist zo gemakkelijk als een extra 800 gram, bekeek het stadsplan en vertrok, niet wetende of ik die nacht terug zou komen of dan al in Warschau zou zitten.

Poznan was, zeker in vergelijking met Berlijn, een pracht van een stad. Smalle sprookjesstraten, kleurrijke, feeërieke huisjes... Dat ik in een container twee paar prachtige kniekousen vond en een alpaca-poncho want niets reist zo gemakkelijk als wat extra kilo's, hielp mijn beregende gemoed natuurlijk ook vooruit. Hier zou ik nog eens terug willen komen, dacht ik, maar nu heb ik genoeg gezien. En ik raapte wat karton op uit een portiek, schreef daarop 'Warsaw/Krakau' en wandelde naar mijn volgende liftjes.

donderdag 25 augustus 2016

Ich bin ein...

Berlijn is gigantisch (en) smerig. Ik prijs onszelf gelukkig dat we een andere liftster hebben opgescharreld - eentje die Berlijn kent en ons van een slaapplek kan voorzien. Met z'n drieën verlaten we de auto in godweetwelkdistrict en zij weet tram hier en straat daar en wij volgen haar gedwee naar het centrum en laten de stad op ons inwerken. Zestig jaar geleden zal de architectuur al niet in schoonheid noch originaliteit hebben uitgeblonken, maar nu is het woongedeelte helemaal een vergaan communistisch zooitje. De gebouwen zijn van een deprimerende, eentonige lelijkheid en het enige wat sfeer uitademt zijn de centimeterdikke lagen posters op de muren, al dan niet extra aangekleed met graffiti of stickers. Een louche gettosfeertje, dat wel. Ik voel me in een of andere achterbuurt in de Bronx, niet in een van 's werelds meest besproken metropolen.

Mijn teleurstelling blijft gelukkig niet lang duren, want Berlijn, hoewel potsierlijk kakofonisch aangekleed, leeft. Keulen en Düsseldorf waren mooie, nette steden waar mooie, nette mensen rustig hun tijd verdoen op het voorspelbare ritme van de kalme ademhaling van de stad. Berlijn ademt kalm noch voorspelbaar, ze hijgt in uw nek en springt en jubelt en danst en spuwt in de lucht en de restjes kwijl condenseren in de harten van haar inwoners en bezoekers, die, evenals hun stad, een allegaartje van alles zijn. Hier zijn de alternatieven de norm. Berlijn is mijns inziens gatlelijk, maar boy, wat een karakter. Ik ontmoet constant hippe, jonge, lieve, oprecht behulpzame mensen en wanneer ik 's avonds alleen door deze Bronx kuier, voel ik me volledig veilig. Dat de nacht eindigt in een freakshow in een kraakpand en ik voor anderhalf bijeengebedelde euro zien kan hoe de een zijn kin en arm penetreert met ijzeren staafjes en de ander liters rum-cola mixt door ze in een tonnetje aan haar vagijn te hangen en te pelvic thrusten, is een mooie illustratie hoe positief geschift het uitgaansleven en de mensen hier kunnen zijn.

Die nacht weet ik mezelf het kraakpand in te praten, waar ik 's ochtends snel uitgebonjourd word. Ik neem afscheid van het deel België dat met me vertrokken is, want ook in mijn hart druipt de condens van de wanden en ik voel het prikkelen om alleen verder te trekken. Ik verdoe het merendeel van de dag met het verlaten van de stad. Liften naar dichte of verre bestemmingen is een piece of cake als je eenmaal op een tankstation op de snelweg beland bent, maar op dat tankstation geraken? Ho maar. Vier uur duurde het eer Berlijn me eindelijk los wou laten - maar toen ik eenmaal een lift te pakken had, zat het direct snor. Polen lonkte al een paar dagen verleidelijk naar me en nu repte ik me uit Duitsland om zo snel mogelijk bij haar te zijn. De snelweg werd geflankeerd door prachtige bossen. Alsof de GVR normale boompjes uit de grond getrokken had en hun wortels glad had gesmeerd tegen de stam.

Het is nu 21.00 uur, het wordt donker en ik heb nog zo'n twee uur te gaan eer ik in Poznan ben, en dan moet ik nog op zoek naar het mij aangeschreven kraakpand. Toch ben ik niet bang. Uiteindelijk kan ik altijd op de grond slapen, zoals tijdens onze eerste nacht in Keulen. Overleven is niet moeilijk.

De wereld zal zo klein zijn als ik weer thuis ben.

zondag 17 juli 2016

Delirium

De muziek is goed, drank, wiet en drugs hebben mijn gedachten lam gelegd en ik begin zowaar te zweven. Ik zweef over de keurig onderhouden grastuin andere werelden in. Boven mijn hoofd beweegt een schel licht op kartonnen plafonds en het is zo saai en lelijk dat ik ervoor kies ergens anders naartoe te gaan.

Ik wals door de balzaal der illusies van mijn dromen: op blote voeten dansen op het zachte gras van een waanzinnig cool feestje "Ik voel me super. Net cat genomen. Wil je ook wat?" naar vliegen door het heelal. Ik buitel door mijn gedachten en lach, lach, lach, want vliegen is zo verdomd prettig. Als ik mijn ogen open zie ik soms een kamer, kaal en lelijk en zonder ziel, maar ik hoef slechts enkele seconden te wachten tot alles weer vervormt naar zaligheid. Ik moet plassen en een vrouwelijke figuur schuift iets onder me, vraagt of het gaat en ik zeg ja, want dat is het enige antwoord dat van me verwacht wordt. Sukkelig schuif en trek ik mijn onderbroek Onderbroek? Waar zijn je kleren? naar beneden en ik sta, nauwelijks in bont verhult, te praten op het feestje en iedereen lacht en is blijblijblij. Er ligt iets kouds en hards onder mijn kont en het stoort en ik flikker het opzij, leg me gemakkelijker Waar ben je? en praat met gesloten lippen tegen alle mensen die rond me heen staan. Ik bekijk hen, zie hoe ze gelukkig zijn en pret hebben en ze verdwijnen en de kamer neemt andere vormen aan en ik moet plassen. Juist. Ik schuif instinctief iets dat op een metalen soepbord lijkt onder mijn billen, herinner me mijn onderbroek uit te trekken Onderbroek? Waar zijn je kleren? en moeizaam pers ik een zielig straaltje uit mezelf en ik los weer op in betere werelden.

"Is het gelukt?"
Met mijn onderbroek half over mijn knieen bengelend vraag ik waar ik ben. Duidelijk geiritteerd bitst de vrouw Verpleegster. me toe dat ik in Hasselt ben, in ziekenhuis X en ik wil nog wat vragen, maar ze wandelt met forse stappen weg en ik voel me eenzaam.
Cat. Catcatcatcatcat. Nee. Ket? Ketamine? Er was iets met ketamine.

In de hoek van de kamer die er daarjuist niet was zit een vreemde, enge man. Naast de verpleegster Lig ik echt in een ziekenhuis? Ik ben toch op een feestje? is hij de enige die niet gelukkig straalt. Hij rookt en staart me priemend aan. Ik kijk hem strak aan, trek mijn onderbroek naar omhoog, evenals mijn deken en ondertussen laat ik mijn hand subtiel over mijn borst glijden. Naakt. Ik ben naakt. Waar zijn mijn kleren? Hoe kom ik hier? Benauwd en kwetsbaar draai ik me naar de andere kant, terug het feestje in. 

Ik moet plassen. Geen verpleegster noch bedpan in de buurt. Ik zet me recht, duizel, kijk naar de baxter die ongemakshalve niet aan zo'n rolding hangt, probeer hem voorzichtig van de ijzeren stang te prutsen, faal, raak geirriteerd en trek het zooitje er dan maar af. Niet mijn probleem. Ik wil hier niet eens zijn. Ik duizel en draai en waggel en strompel door de kamer en ik ben gedwongen te erkennen dat ik effectief in een ziekenhuis ben en ik baal. Hoe kom ik hier terecht? Waarom? Het licht in de badkamer is veel te fel, te fel te fel te fel. Ik bekijk mezelf in de spiegel en ik moet toegeven dat ik er belabberd uitzie. Wild, en kwetsbaar tegelijkertijd. Dat ze, zoals verwacht, mijn make-up niet hebben verwijderd doet er ook geen goed aan. Ik plas, spoel niet door, kruip terug mijn veilige bed in Waarom ben ik hier? om realiteiten te zien die niet bestaan. Ik neem me voor uit het ziekenhuis weg te lopen en te sms'en of iemand me terug naar het feest wil voeren, want daar was het fijn en ik wil terug. Eerst nog een beetje rusten. 

"Hebt gij alles op?"
"Ja"
"Hebt gij een volledige gram ket genomen?"
'Tuurlijk" 
Waar maakt die jongen toch zo'n probleem over? Rex kijkt me aan alsof ik iets heel erg verkeerds heb gedaan. Alsof ik dat beetje drugs niet aankan.

Naast mijn bed zitten enkele tof uitziende jongedames al rokend en giechelend te keuvelen. Ik wil hen zeggen dat ik buikpijn heb en of ze het roken in mijn nabijheid dus willen laten, maar ik herinner me dat dit een verzonnen realiteit is. Dus ik inhaleer de tabaksrook, sluit mijn ogen en verdwijn.

"Gaat het?"
"Joaaaa... maar... ik moest... plas...sen... Trok dit eraf... Sor...ry..."
Mijns inziens is de klaagzucht die hierop volgt botter dan nodig, maar ik weet dat ik niet in de positie ben kritiek te uiten.
"Weet je waarom je hier bent?"
"... Er was... een... feestje... Ket... Ik denk dat... dat het is..."
"Was dat de eerste keer?"
"Jaaa..." Ket wel, in elk geval.
"Niet slim, he. Je had je moeten zien toen ze je binnenbrachten. Heel zielig. Ik denk dat het een overdosis was. Je had dood kunnen zijn."
Op mijn verzoek brengt ze me een glaasje water en haast zich weer te snel weg, mij getroebleerd achter laten in mijn eenzaamheid. Overdosis. Overdosis. Je had dood kunnen zijn. Overdosis. Dood. Dooddooddood. Heh. Dat gaat makkelijk.
Ik zucht, draai me om en soezel weer weg.

"Hebt gij alles op?"
"Ja"
"Hebt gij een volledige gram ket genomen?"
'Tuurlijk" 
Ik heb net een zakje ket gekregen, goed voor een dosis. Alles naarbinnen gesnoven, geen moeite, enkel een vieze nasmaak. Ik vraag me af waarom Rex er zo'n drama van maakt en ik kijk hem diep in de ogen en ik zie nu aan zijn blik dat ik effectief iets heel erg verkeerds heb gedaan en ik word bang voor de mogelijke gevolgen. Overdosis. Je had dood kunnen zijn.
Ik open mijn ogen en hij staat naast mijn bed. Hij wandelt heen en weer en aan zijn hele doen merk ik dat hij niet blij is met mij. Again. Hij stopt bruusk, kijkt me strak aan en begint zijn, deze keer volledig terechte, preek. 
"Zijt gij achterlijk ofzo?... Een gram ket... Wou ge dood ofzo, want zo, ja, zo gaat het wel lukken."
Ik hou nog steeds van hem en ik ben blij dat hij er is, dat ik niet alleen ben, maar ik voel mijn ingewanden op en neer springen, veel te hard, en ik moet kalm worden en zo lukt dat niet. Dus ik haal Hanne er maar bij. We zitten in de wolken, mooie zachtroze wolken, en er is een lichtpaars pad en daar komt Hanne al aangevlogen.
"Ja, D...., da's niet slim, he?"
"Ik weet het."
"Ja, het spijt me echt, maar veel kan ik er ook niet aan doen. Tenslotte ben ik een gedachte van je, dus, ja... sorry."
We knuffelen en dan vliegt ze weg. Ik blijf staan op het pad in de wolken. Een gedachte, he? Dus ik controleer volledig wat er gebeurt? Nice. Waar wil ik naartoe? 
Ik wil Morpheus ontmoeten.

Met open ogen zie ik hoe het plafond een sterrenhemel wordt en ik vlieg het heelal in, diepzwart en bezaaid met fonkelende glitters. Ik herinner me het einde van Sandman en ik zie het gebeuren en word dieptreurig en wil huilen, maar dit zijn mijn gedachten, dus ik heb de macht wijzigingen in de storyline aan te brengen. Ik zweef door prachtig ingekleurde universa en wacht. Opeens staat Morpheus voor me en hij is imponerend machtig en beeldschoon. De ruimte verandert en hij zit op een troon, met een achtergrond die bestaat uit alle soorten hemel en alle bestaande en onbestaande kleuren en alles schittert en ik voel tranen opkomen door al die schoonheid. Hij kijkt me aan en zijn blik is ondoordringbaar en ik ben ontroerd dat hij mijn bestaan heeft opgemerkt. We praten even over de dromen waar ik in vlieg en dan staat hij op en de ruimte is opeens gevuld met schitterende spiegels. Hij haalt eentje achter zijn rug vandaan en het lijkt vaag op een paard, zo'n tzee meter lang en anderhalve meter hoog.
"Dit," spreekt hij me diepernstig toe, "is je leven."
Hij reikt me mijn leven aan en ik spiegel mezelf erin, geintrigeerd.
"Dit is je leven. Je hebt er maar een, dus wees er voorzichtig mee."
Ik neem mijn levensspiegel klungelig onder mijn armen vast en het is onhandig en zwaar en ergens wil ik het ogemblikkelijk kapot smijten, gewoon omdat ik het kan, maar ik voel de ernst van alles en ik bekijk de krassen op het glas en neem me voor er voorzichtiger mee te worden.

Het is nu zo'n vijf uur 's nachts en ik wil Damian bellen, maar hij neemt niet op omdat hij nachtelijke telefoontjes niet ernstig dunkt. Rex durf ik absoluut niet te storen. Mijns inziens was ik de laatste twee dagen behoorlijk goed bezig op een meer afstandelijke, vriendschappelijke manier met hem om te gaan en nu heb ik het natuurlijk verpest. Dat en het hele feest en bijna mijn eigen leven. Hoogbegaafd en achterlijk. Niet dood te krijgen en suicidaal. 

Ik voel me heel alleen. Ik bel de verpleegster op om Klara op te zetten, want ik zal nog beter trippen met klassieke muziek erbij. Ze brengt ook een volledige fles water mee, die waarschijnlijk wel op de rekening zal verschijnen. Verdomme. Hoeveel gaat dit grapje u kosten? Ze hebben niet eens iets gedaan; een baxtertje en uitrusten, that's it. Verdomme. Waarom lieten ze me niet op feestje? Mensen met hun goede bedoelingen altijd. 

De nodige rust wordt me ontnomen als het ziekenhuis ontwaakt. De verpleging probeert niet eens te verbergen hoe graag ze me weg willen en ik begrijp, pharmaceutisch bedrijf enzo, maar het kost zo veel moeite om wakker te blijven en als ik mijn ogen sluit, hallucineer ik ogenblikkelijk. Met grote inspanning bel ik mijn Hasseltse vriendenkring op, maar zij slapen hun roes allemaal uit op het feestje en de enige die zijn gsm opneemt, is zelf aan het trippen. Wat een soep. Uiteindelijk heeft Rex me moeten ophalen. In de tijd daarvoor benadrukten de verpleegsters nog maar eens dat het slechte vrienden zijn en dat je er niet op kan rekenen en dat waarschijnlijk niemand zou komen en ik kreeg er zo'n stress van, maar ik was veel te zwak en te laf om te reageren, om te zeggen dat mijn lompigheid hen niet te verwijten valt, dus ik zweeg maar en tripte gestresseerd verder.

...

"Morgen ben ik op reis, he ma. Ik had dat wel al gezegd, maar gulder vergeet dat toch en ik wou nog eens bellen voor ik vertrok."
"Ah, da's lief. Naar waar gaat ge nu?"
"Geen idee. Ik ga hier met een vriend liften en we zien wel waar we uitkomen. Waarschijnlijk splitsen we onderweg ook, en dan ga ik alleen verder."
"Past maar op, he."
"Ge kent me toch."
"Wel lief dat je hebt onthouden te bellen."
Onthouden te bellen?... Jarig... Mijn moeder is vandaag jarig...
"Jaja, ik had het onthouden. Hoe is het feestje daar? Veel taart?"
50 jaar is ze geworden, jij was het vergeten en je had haar ook nog eens bijna een doodskist cadeau gedaan. Om eens over een mokerslag van schuld te spreken.
"Ja, het is goed, he. Pap had taart gebakken en we hadden een stuk voor u willen bewaren, maar je was er niet schuldschuldschuldwroegingwroegingwroegingspijtspijtspijt dus je kunt niet proeven."
"Haha. Geef een feestje als ik terugkom, dan kan ik dan taart eten."
"Typisch voor u. Nu, wees voorzichtig, he?"
"Altijd."
"En we zien u graag. Dat weet ge, he?"
"... Ja... Dat... weet ik... en... ikziejullieookgraag"

Op een moto vloog ik van Rex weg, net zoals enkele tranen over mijn wangen Da's van de wind, romantisch kutkind. Zet uw klep dan dicht. Is dit voorzichtig zijn voor u? en ik ga zo'n zes weken reizen in Europa en ik hoop dat ik mezelf weer vind, want het lijkt erop dat ik me een beetje verloren ben.

Als ik mijn naam had mogen kiezen, dan was het trouwens mijn titel geworden.

maandag 4 juli 2016

De afgeschafte trein.

Ik ben vierentwintig en klaar om te feesten. Mijn glazen drinkfles is voor zo'n 400 centiliter gevuld met brandewijn, ik heb een zak kersen mee die ik per vaak voorkomend ongeluk te laag geprijsd heb (dertien cent voor een kilo), twee gestolen donuts en net genoeg cash geld om mijn toegang tot Space Safari te garanderen. Mijn gratis Benelux-treintickets zijn zo hard gereduceerd dat ik ze niet wil gebruiken voor een poepescheetafstandje zoals Gent, zeker niet als de NMBS zo'n fijne promoties heeft. Alle loketten zijn al gesloten, dus ik stap op de automaat af, bestel mijn Go Unlimited, draai me naar het informatiescherm om en... mijn trein is afgeschaft. 
'Wegens een personenongeval op plaats X is heel het treinverkeer van en naar X in de soep gedraaid.'

Godverdomme.

Ik kijk om me heen, net alsof er op die manier opeens iemand zal verschijnen die mijn transportprobleem oplossen kan, maar er is geen enkele autoriteitsfiguur om raad te bieden en van mijn medereizigers valt bitter weinig hulp te verwachten. Dus ik drentel onzeker door het station, me afvragend hoe the fuck de wereld er nu voor zal zorgen dat ik tijdig op mijn goa-feestje arriveer, want ik wil drinken en dansen en kussen en roken en zien of er drugs of knappe mensen te fiksen zijn en hoe the fuck valt dat te realiseren als ik in mijn kutstation voor, ho maar, anderhalf uur moet wachten?

Smeerlap.

Ik ben veertien jaar, de leeftijd waarop knappe jongens nog illegale boomhutten bouwden en onze huisdieren alle mogelijks te ontvangen liefde personificeerden. Ik heb nooit een boomhut gebouwd. Niet alleen dat ik het nodige begijnhof miste, ook was er niemand voor mij om mee te bouwen. Ik ben alleen. Naar mijn gevoel mijn hele leven lang. 
Op de lagere school had ik wel tot een vriendengroepje behoord, maar dat was enkel te danken aan het zeer warmhartige karakter van de spilfiguur van dat groepje. Zij zocht de eenzamen van hart en bond ons samen tot een prettig geheel. Je zou bijna vergeten dat je niet populair was, niet geliefd en dat het vriendengroepje zonder haar zou verbrokkelen als een goed schimmelkaasje. Toen het einde van onze lagere schoolcarrière ons doemde uit elkaar te gaan, gaf ik haar mijn lievelingsring cadeau. 
Ik had grootse, plechtige en oprechte woorden van dankbaarheid willen uitspreken, om haar te bedanken voor haar jarenlange goedheid zich over ons (mij) te ontfermen en ons (mij) het gevoel te hebben gegeven 'erbij te horen', iets wat niet vanzelfsprekend was en waar ik haar nog steeds ontzettend dankbaar voor ben. Verder dan een beetje gestamelde nonsens, traanoogjes, een knuffel en een sip van ons glaasje appelsiensap - god, wat liet dat glaasje appelsiensap me volwassen voelen -  ben ik echter niet geraakt. Ik gaf haar de ring en voelde me ogenblikkelijk een debiel om zo'n romantische, sentimentele diepgang aan triviale zaken en gebeurtenissen te hechten.

Ik ben veertien en nog steeds niet populair. Je zou denken dat je eraan went, aan het ontbreken van een hartsvriendin om al uw pijn en geluk en tienergiecheltjes mee te delen, aan het zo laat mogelijk naar school vertrekken om de confrontatie met het gebrek aan vrienden zo miniem mogelijk te houden, aan het eenzaam ronddolen in de gangen of op de speelplaats tijdens de pauze, aan gesprekken die verstommen en medeleerlingen die ongemakkelijk giechelen of gefaket zuchten als je bij hen komt staan, aan uw klasgenoten die verontwaardigd zijn als de leerkracht je bij hen in het groepje plaatst... Leugens. Je verdraagt het, je hebt ondertussen al een schild ontwikkelt om niet steeds getroffen te worden, maar je blijft wel een mens, een mooie, intelligente, autistisch en diepgevoelige mens die zo ontiegelijk veel nood heeft aan vriendschap en liefde en er zo weinig van krijgt, omdat je moeilijk tot geen aansluiting met anderen kan maken. 
Ik begrijp de anderen niet. Waarom ze lachen en huilen en boos zijn en teleurgesteld en gekwetst. Ik probeer de aandacht te trekken van zij die mij verdragen kunnen door irritant te doen. In de lagere school aapte ik hun woorden na tot hun kregeligheid naar woede begon te neigen. Ik porde hen tot het moment dat ze zich in de speeltijd preventief opsloten in de toiletten om aan mij te ontsnappen. 
Ik voelde aan dat het niet oké was, dat het gewenste effect niet bereikt werd, aux contraire, maar ik wist begot niet wat ik zou kunnen doen om populair en geliefd te zijn. Dus ik keek hen na terwijl ze lachend en gillend hun wc-deurtjes op slot deden, zette me op een bankje, verdrong mijn tranen en dacht. 

Ik ben veertien en wel populair in mijn dromen. Ik heb verschillende personages voor mezelf bedacht en in mijn favoriete fantasie, een mix tussen Bakelandt en De Rode Ridder, ben ik een nymfomane brigand, zwoel en schaarsgekleed en verrukkelijk en moordlustig en wreed. Ik verkracht en folter en roof en moord en neuk er maar op los, tot de mannelijke antagonist in het spel komt en ik er verliefd op word. Soms rijg ik hem uiteindelijk aan mijn degen, met traanogen en een gebroken hart. Soms word ik verrot geslagen of verkracht en beseft hij dat het leven kut is en schaarst hij zich bij mijn bende. Soms ook word ik opgehangen, neergestoken, gewurgd of verdronken door de hand des wets. Gelijklopend in elke storyline is dat ik door iedereen zowel gevreesd als aanbeden word. In mijn wereld  leven elfen en tovenaars en hoeren en ridders en draken en eenhoorns en na Pirates of the Caribbean kwamen er massaal veel goddelijke, langharige, geromantiseerde piraten bij. 
Ik hou van mijn dromen. Ik hou van het gevoel de leider te zijn in een spannend avontuur, het gevoel de macht in handen te hebben. Mijn dromen zijn verslavend. Ik hoef mijn ogen er niet eens voor te sluiten: het avontuur, de romantiek en het drama rollen vanzelf mijn hoofd in.

Ik ben veertien en ik heb beslist om dood te gaan. Het is te zwaar aan het worden, allemaal. Jarenlang enkel oppervlakkige vriendschapsrelaties, nu zelfs dat niet meer, ouders die thuis constant aan het bakkeleien zijn, ik die niets goed lijk te kunnen doen in eender welk onderdeel van het leven... Ik voel me een talentloze, lelijke, stomme, domme sukkel die nergens in uitblinkt, door niemand geliefd wordt en door niemand gemist zal worden. Meer zelfs, ik ben ervan overtuigd dat de wereld een betere zal zijn zonder mij erin. Alsof mijn aanwezigheid het geluk van de gehele mensheid tegenhoudt. 
Gelukkig ben ik niet, laat dat duidelijk zijn. Blij en opgelucht en tevreden, dat durft wel eens voor te vallen, maar dat is slechts een schampere afleiding voor het verdriet, de onmacht en de interpersoonlijke teleurstelling die constant zwaar op mijn schouders drukken. 
Ik ben waardeloos. Ik ben lelijk. Niemand houdt van mij. 
Soms ga ik hierover wel eens in discussie met mezelf, maar de bewijzen spreken allemaal tegen mij. Ze rennen van je weg, weetjenog? Ze zuchten als ze met je moeten samenwerken, ja? Geen vrienden? Geen lief? Alsof iemand van jou zou kunnen houden.
Waardeloos. Lelijk. Ongeliefd. 
Het kost me steeds meer en meer moeite om mijn dromen te verlaten en in de realiteit te komen. Soms huil ik als ik wakker ben geworden. Ik leef op automatische piloot en acteer de dag door, tot ik eindelijk weer mijn bed in kan. Zelfmoordwensen -en gedachten zijn bij mij altijd sluimerend aanwezig geweest, maar nu is er geen houden meer aan. We zijn zelfs al bij de volgende stap gekomen: het zelfmoordplan. Ik ga alle mogelijkheden af, gewoon, voor de grap. 
Ophangen? Makkelijk, dat wel, maar wil je echt of een onbekende op straat of uw ouders thuis traumatiseren met uw bungelde overschotten? Nope. 
Vergif? Ja, oké, maar waar vind je dat? Cyaankali ofzo, echt vergif, geen tante Kaat prut? Ik wil dood, niet nodeloos afzien. Next. 
Een emootje doen en de polsen doorsnijden? Hm, nee, niet alleen gaat dat meer pijn doen dan ik ervoor over heb, we zitten dan ook weer met het 'Oeh, kijk se, het lijk van mijn dochter'-trauma dat je niemand wil aandoen. 
Kogel door de kop? Door uw mond wel, ja, dat zou ideaal zijn. Mochten we in Amerika wonen. Hoe geraakt een veertienjarig meisje in dit land nu aan een pistool? Jammer, echt, doodzonde, maar het is onmogelijk. Wat dan?

De trein?

De trein. Ja. De trein. Ik kan geen enkel argument daartegen bedenken en ik voel een vorm van opluchting bezit van me nemen, opluchting die me gelukkiger maakt dan eender wat de afgelopen tijd heeft gedaan. 
Ik begin vaker mijn dood te fantaseren, ensceneren, met als climax een massa mensen, huilend in de kerk, beseffend wat een groot leed en onrecht ze me al die jaren hadden aangedaan door hun liefde niet genoeg te tonen. Bewierookt en bemind, zo zou men me begraven. Na mijn dood zou ik, eindelijk, de erkenning en liefde krijgen die ik niet had weten te realiseren in mijn leven. 
En ik sterf en sterf en sterf elke dag opnieuw en ik word er zo maar even gelukkiger door. Ik ben bij machte mijn leven te beëindigen en er zo voor te zorgen dat alle jarenlange opgebouwde pijn en frustratie en verdriet ook ophouden te bestaan - een besef dat zeer rustgevend werkt. Met mijn dood verwijder ik al mijn leed, oftewel, sterven zal me gelukkig maken. Ik word bijna euforisch van deze gedachten; eindelijk geen tranen meer, geen onbegrip, geen verwensingen, geen eenzaamheid... Niets. Ik zal niets worden. Een zalige niets. 
En ik lach en ben gelukkig en ik kijk naar de treinen en in de vreugde over mijn komende zelfmoord denk ik hoe het zou zijn. En ik zie me op de sporen wandelen. Ik voel de nervositeit, de startende angst, de twijfel. Ik zie de trein in de verte. Meer angst, meer twijfel. Krop in de keel, trillende handen. De trein komt dichter en dichter, de grond bibbert even hard als mijn hart en de trein raast en raast maar vooruit, steeds dichter en dichterbij, er wordt geclaxonneerd en hij is dicht, zo dicht, zo onmenselijk dicht en ik ben bang, ik ben zo fucking bang voor die trein die mijn leven verpletteren zal.

Ik ben veertien en ik heb net beseft dat ik geen zelfmoord kan plegen. 
Ik ben waardeloos. 
Ik ben lelijk. 
Niemand houdt van mij. 
En ik heb nog niet eens de ballen er een einde aan te maken. 

Ik ben de grootste loser die er bestaat.

...

"Ik heb jouw ring nog steeds bewaard."
"Ring?"
"Ja, die je me op het einde van de lagere school hebt gegeven."
M. dist uit haar zakken een gouden plastic eitje van de Kinder Surprise op, doet hem open en jawel, daar zit 'ie. Mijn lievelingsring uit het zesde leerjaar, met pareltjes in elkaar gevlochten door mijn meter. Ik wil grootse woorden in de mond nemen om als tiener de dankbaarheid te kunnen uiten waar ik als kind niet in geslaagd was, maar ik glimlach alleen maar. M. glimlacht mee. Daarna keuvelen we verder, verplaatsen ons naar een ander onderwerp en ik besef dat ik er goed aan had gedaan een romantische, sentimentele debiel te zijn, me kwetsbaar op te stellen en mijn liefde voor iemand te tonen.