zaterdag 27 augustus 2016

Poznaninpolinskaja

Het giet als ik de auto uit spring, Poolse bodem op. Ik bedank mijn lift uitvoerig en gemeend, like always, en ik stap zo snel en zo ineengedoken mogelijk in de richting waar ik meen naartoe te moeten gaan. Ik heb geen kaart, geen Google Maps, enkel een afdruk in mijn geheugen van de uitgestippelde route zoals die op de gps verscheen. Het regent en waait en ik heb het koud, maar verdomd dat ik nu in mijn rugzak ga rommelen, zoekend naar warme kleren. Ik ben nog steeds niet bang, maar de regen, de kou, het late uur, de twijfel of ik in het kraakpand terecht zal kunnen, het ontbreken van een routeplan en het besef dat ik nu echt mijn comfortzone uit ben, moederziel alleen in een land waar je nog nooit iets goeds over gehoord hebt en waar je, besef besef, geen gesproken noch geschreven woord herkent, maken me nerveus en gehaast.

Enkele Engelssprekende passanten googelen snel mijn bestemming en begeleiden me naar de tramhalte - tram 11, uitstappen bij Wieskopiestawhatever. Dus ik wacht en bibber verkleumd tot de tram arriveert. Twee haltes, en dan kan ik verder verkleumd bibberen op zoek naar de straat waar mijn nachtelijk onderdak zich zou bevinden. Ik verlaat met tegenzin de warmte en veiligheid van mijn gratis tram, vervloek de koude, kijk wat hulpeloos in het rond want waarthefuck is die straat nu? en tsjakkah, klaarblijkelijk sta ik er middenin. Het is een zielige straat, dat wel. Donker, kil en nergens een mens te bespeuren. Veel leegstaande woningen waar je altijd in het portaal zou kunnen slapen. Blijf zoeken. Links... ah nee, op het straatnaamplakkaat staan de huisnummers en ik ga de verkeerde kant uit... Rechts dus... Hier? Nee. Nee. Nee. Te ver? Echt? Ja. Terug... Weer te ver? The fuck? Terug... en ik vind de weg naar het kraakpand; een verscholen en bemodderd donker steegje. Als ik bij de met prikkeldraad beveiligde ijzeren poort kom, schiet er direct een geruststellend licht aan. Ik druk op de bel.

Niets.

Ik druk nog eens, met onverminderd optimisme.

Niets.

De komende minuten blijft het beldrukken (steeds langer en wanhopiger) de vaste repetitieve waarde van mijn avond. Ik vloek en sakker en spoor alle inwonenden telepathisch aan de deur open te doen. Ik probeer in te schatten hoe weinig schade ik op zou lopen mocht ik over het hek en de bijhorende prikkeldraad zou kruipen - want niets is zo bevorderlijk voor andermans gastvrijheid dan een beetje inbreken. De hemel gooit water op mijn hoofd en de aarde bewaart het voor mijn voeten, en ik ijsbeer nerveus door de modder en de plassen en ik vloek en belbelbel en bereid me al voor op een koude, harde nacht, verdomme.

Opeens is er licht, beweging, een paraplu, en twee mensen verlaten het domein en eentje betreedt het. Met forse tred verlaten we mijn natgeregende angst. Het pand bestaat uit verschillende gebouwen en, ondanks mijn nachtelijke slechtziendheid, vermoed ik dat het enorm uitgebreid is. Weinig graffiti, veel stickers en posters en een ongekunstelde gezelligheid. In de keuken, onder een zacht peertje en met de geur van pannenkoekenbeslag in de lucht, geef ik mijn Berlijnse referentie door. Ik mag blijven slapen. Vijf nachten zelfs, als ik wil. En pannenkoeken bakken mag ook.

Ik wacht tot de huidige pannenkoekenbakker - een jonge Zweed die geen Engels praten kan - zijn laatste, half verbrande, aangekoekte pannenkoek uit de zwaar pyromanisch mishandelde pan geschraapt heeft en dan begin ik eraan. Ik meng bloem en rijstmelk, meen dat er ook eieren in moeten, zoek eieren, vind niets, kluts nog een beetje verder, giet olijfolie in de pan, draai het vuur aan godsamme, veel te hard. Zachter. Nee? Niet moeilijk dat die een zo'n misbaksels van quasi gecremeerde pannenkoeken had gecreëerd. Veel vuur = veel deeg. D'uuh, kwak massa's klonterdeeg in de pan, die moeilijk vast te houden is met vijftig procent minder vijzen in de steel. Ik bak het ene meesterwerk na het andere en mijn ogen zijn zoveel groter dan mijn maag dat er nog een megasaurus van een pannenkoek overschiet nadat ik me al tot misselijkheid toe heb volgepropt. Bijhouden voor morgen. Tussen enkele pannenkoeken door stuur ik een sms naar mijn ouders: 'Ik ben pannenkoeken aan het bakken in een kraakpand in Polen'. Geruststellende sms'en, daar leef ik voor. Ondertussen is het al na middernacht. Ik kruip mijn bed in, veilig en warm, en val heel snel in slaap.

Vermits mijn bed in een afgelegen hoekje in de keuken staat, word ik vanaf een bepaald uur herhaaldelijk gewekt door keuvelende, ontbijtjesnuttigende mensen. Ik hoor, negeer en slaap verder. Als ik eindelijk de motivatie gevonden heb op te staan, ben ik alleen. Mijn pannenkoeken liggen nog in mijn maag te slapen, dus ik begin de dag met het verkennen van dit gebouw. Vrijwel onmiddellijk bots ik op een van de grote gevaren voor de reiziger: een free shop. Ik neem een shirt met lange mouwen mee en een korte broek, want ik heb nu al mijn meegenomen kledij aan en ik heb het nog koud. Er stond een geweldig paar schoenen, maar rationele ik begon me direct uit te kafferen, dus ik liet ze maar staan. In het toilet zorgde de lichtschakelaar ervoor dat er gelijktijdig een blazer en radio aanschoot. Hehe. Domotica. Sort of. 

Wegens gebrek aan een handdoek schudde ik me succesloos droog na de douche, deed mijn hoopje kleren weer aan, at mijn pannenkoek op, samen met de restjes van het eten dat ik in Berlijn gekregen had - aangebeld bij een chique huis en direct voorzien geweest van dikke sneden rozijnenbrood, kaas, tomaten, worst, appels, frisdrank en water - nam een pak havermout mee uit de gemeenschappelijke keuken want niets reist zo gemakkelijk als een extra 800 gram, bekeek het stadsplan en vertrok, niet wetende of ik die nacht terug zou komen of dan al in Warschau zou zitten.

Poznan was, zeker in vergelijking met Berlijn, een pracht van een stad. Smalle sprookjesstraten, kleurrijke, feeërieke huisjes... Dat ik in een container twee paar prachtige kniekousen vond en een alpaca-poncho want niets reist zo gemakkelijk als wat extra kilo's, hielp mijn beregende gemoed natuurlijk ook vooruit. Hier zou ik nog eens terug willen komen, dacht ik, maar nu heb ik genoeg gezien. En ik raapte wat karton op uit een portiek, schreef daarop 'Warsaw/Krakau' en wandelde naar mijn volgende liftjes.

donderdag 25 augustus 2016

Ich bin ein...

Berlijn is gigantisch (en) smerig. Ik prijs onszelf gelukkig dat we een andere liftster hebben opgescharreld - eentje die Berlijn kent en ons van een slaapplek kan voorzien. Met z'n drieën verlaten we de auto in godweetwelkdistrict en zij weet tram hier en straat daar en wij volgen haar gedwee naar het centrum en laten de stad op ons inwerken. Zestig jaar geleden zal de architectuur al niet in schoonheid noch originaliteit hebben uitgeblonken, maar nu is het woongedeelte helemaal een vergaan communistisch zooitje. De gebouwen zijn van een deprimerende, eentonige lelijkheid en het enige wat sfeer uitademt zijn de centimeterdikke lagen posters op de muren, al dan niet extra aangekleed met graffiti of stickers. Een louche gettosfeertje, dat wel. Ik voel me in een of andere achterbuurt in de Bronx, niet in een van 's werelds meest besproken metropolen.

Mijn teleurstelling blijft gelukkig niet lang duren, want Berlijn, hoewel potsierlijk kakofonisch aangekleed, leeft. Keulen en Düsseldorf waren mooie, nette steden waar mooie, nette mensen rustig hun tijd verdoen op het voorspelbare ritme van de kalme ademhaling van de stad. Berlijn ademt kalm noch voorspelbaar, ze hijgt in uw nek en springt en jubelt en danst en spuwt in de lucht en de restjes kwijl condenseren in de harten van haar inwoners en bezoekers, die, evenals hun stad, een allegaartje van alles zijn. Hier zijn de alternatieven de norm. Berlijn is mijns inziens gatlelijk, maar boy, wat een karakter. Ik ontmoet constant hippe, jonge, lieve, oprecht behulpzame mensen en wanneer ik 's avonds alleen door deze Bronx kuier, voel ik me volledig veilig. Dat de nacht eindigt in een freakshow in een kraakpand en ik voor anderhalf bijeengebedelde euro zien kan hoe de een zijn kin en arm penetreert met ijzeren staafjes en de ander liters rum-cola mixt door ze in een tonnetje aan haar vagijn te hangen en te pelvic thrusten, is een mooie illustratie hoe positief geschift het uitgaansleven en de mensen hier kunnen zijn.

Die nacht weet ik mezelf het kraakpand in te praten, waar ik 's ochtends snel uitgebonjourd word. Ik neem afscheid van het deel België dat met me vertrokken is, want ook in mijn hart druipt de condens van de wanden en ik voel het prikkelen om alleen verder te trekken. Ik verdoe het merendeel van de dag met het verlaten van de stad. Liften naar dichte of verre bestemmingen is een piece of cake als je eenmaal op een tankstation op de snelweg beland bent, maar op dat tankstation geraken? Ho maar. Vier uur duurde het eer Berlijn me eindelijk los wou laten - maar toen ik eenmaal een lift te pakken had, zat het direct snor. Polen lonkte al een paar dagen verleidelijk naar me en nu repte ik me uit Duitsland om zo snel mogelijk bij haar te zijn. De snelweg werd geflankeerd door prachtige bossen. Alsof de GVR normale boompjes uit de grond getrokken had en hun wortels glad had gesmeerd tegen de stam.

Het is nu 21.00 uur, het wordt donker en ik heb nog zo'n twee uur te gaan eer ik in Poznan ben, en dan moet ik nog op zoek naar het mij aangeschreven kraakpand. Toch ben ik niet bang. Uiteindelijk kan ik altijd op de grond slapen, zoals tijdens onze eerste nacht in Keulen. Overleven is niet moeilijk.

De wereld zal zo klein zijn als ik weer thuis ben.

zondag 17 juli 2016

Delirium

De muziek is goed, drank, wiet en drugs hebben mijn gedachten lam gelegd en ik begin zowaar te zweven. Ik zweef over de keurig onderhouden grastuin andere werelden in. Boven mijn hoofd beweegt een schel licht op kartonnen plafonds en het is zo saai en lelijk dat ik ervoor kies ergens anders naartoe te gaan.

Ik wals door de balzaal der illusies van mijn dromen: op blote voeten dansen op het zachte gras van een waanzinnig cool feestje "Ik voel me super. Net cat genomen. Wil je ook wat?" naar vliegen door het heelal. Ik buitel door mijn gedachten en lach, lach, lach, want vliegen is zo verdomd prettig. Als ik mijn ogen open zie ik soms een kamer, kaal en lelijk en zonder ziel, maar ik hoef slechts enkele seconden te wachten tot alles weer vervormt naar zaligheid. Ik moet plassen en een vrouwelijke figuur schuift iets onder me, vraagt of het gaat en ik zeg ja, want dat is het enige antwoord dat van me verwacht wordt. Sukkelig schuif en trek ik mijn onderbroek Onderbroek? Waar zijn je kleren? naar beneden en ik sta, nauwelijks in bont verhult, te praten op het feestje en iedereen lacht en is blijblijblij. Er ligt iets kouds en hards onder mijn kont en het stoort en ik flikker het opzij, leg me gemakkelijker Waar ben je? en praat met gesloten lippen tegen alle mensen die rond me heen staan. Ik bekijk hen, zie hoe ze gelukkig zijn en pret hebben en ze verdwijnen en de kamer neemt andere vormen aan en ik moet plassen. Juist. Ik schuif instinctief iets dat op een metalen soepbord lijkt onder mijn billen, herinner me mijn onderbroek uit te trekken Onderbroek? Waar zijn je kleren? en moeizaam pers ik een zielig straaltje uit mezelf en ik los weer op in betere werelden.

"Is het gelukt?"
Met mijn onderbroek half over mijn knieen bengelend vraag ik waar ik ben. Duidelijk geiritteerd bitst de vrouw Verpleegster. me toe dat ik in Hasselt ben, in ziekenhuis X en ik wil nog wat vragen, maar ze wandelt met forse stappen weg en ik voel me eenzaam.
Cat. Catcatcatcatcat. Nee. Ket? Ketamine? Er was iets met ketamine.

In de hoek van de kamer die er daarjuist niet was zit een vreemde, enge man. Naast de verpleegster Lig ik echt in een ziekenhuis? Ik ben toch op een feestje? is hij de enige die niet gelukkig straalt. Hij rookt en staart me priemend aan. Ik kijk hem strak aan, trek mijn onderbroek naar omhoog, evenals mijn deken en ondertussen laat ik mijn hand subtiel over mijn borst glijden. Naakt. Ik ben naakt. Waar zijn mijn kleren? Hoe kom ik hier? Benauwd en kwetsbaar draai ik me naar de andere kant, terug het feestje in. 

Ik moet plassen. Geen verpleegster noch bedpan in de buurt. Ik zet me recht, duizel, kijk naar de baxter die ongemakshalve niet aan zo'n rolding hangt, probeer hem voorzichtig van de ijzeren stang te prutsen, faal, raak geirriteerd en trek het zooitje er dan maar af. Niet mijn probleem. Ik wil hier niet eens zijn. Ik duizel en draai en waggel en strompel door de kamer en ik ben gedwongen te erkennen dat ik effectief in een ziekenhuis ben en ik baal. Hoe kom ik hier terecht? Waarom? Het licht in de badkamer is veel te fel, te fel te fel te fel. Ik bekijk mezelf in de spiegel en ik moet toegeven dat ik er belabberd uitzie. Wild, en kwetsbaar tegelijkertijd. Dat ze, zoals verwacht, mijn make-up niet hebben verwijderd doet er ook geen goed aan. Ik plas, spoel niet door, kruip terug mijn veilige bed in Waarom ben ik hier? om realiteiten te zien die niet bestaan. Ik neem me voor uit het ziekenhuis weg te lopen en te sms'en of iemand me terug naar het feest wil voeren, want daar was het fijn en ik wil terug. Eerst nog een beetje rusten. 

"Hebt gij alles op?"
"Ja"
"Hebt gij een volledige gram ket genomen?"
'Tuurlijk" 
Waar maakt die jongen toch zo'n probleem over? Rex kijkt me aan alsof ik iets heel erg verkeerds heb gedaan. Alsof ik dat beetje drugs niet aankan.

Naast mijn bed zitten enkele tof uitziende jongedames al rokend en giechelend te keuvelen. Ik wil hen zeggen dat ik buikpijn heb en of ze het roken in mijn nabijheid dus willen laten, maar ik herinner me dat dit een verzonnen realiteit is. Dus ik inhaleer de tabaksrook, sluit mijn ogen en verdwijn.

"Gaat het?"
"Joaaaa... maar... ik moest... plas...sen... Trok dit eraf... Sor...ry..."
Mijns inziens is de klaagzucht die hierop volgt botter dan nodig, maar ik weet dat ik niet in de positie ben kritiek te uiten.
"Weet je waarom je hier bent?"
"... Er was... een... feestje... Ket... Ik denk dat... dat het is..."
"Was dat de eerste keer?"
"Jaaa..." Ket wel, in elk geval.
"Niet slim, he. Je had je moeten zien toen ze je binnenbrachten. Heel zielig. Ik denk dat het een overdosis was. Je had dood kunnen zijn."
Op mijn verzoek brengt ze me een glaasje water en haast zich weer te snel weg, mij getroebleerd achter laten in mijn eenzaamheid. Overdosis. Overdosis. Je had dood kunnen zijn. Overdosis. Dood. Dooddooddood. Heh. Dat gaat makkelijk.
Ik zucht, draai me om en soezel weer weg.

"Hebt gij alles op?"
"Ja"
"Hebt gij een volledige gram ket genomen?"
'Tuurlijk" 
Ik heb net een zakje ket gekregen, goed voor een dosis. Alles naarbinnen gesnoven, geen moeite, enkel een vieze nasmaak. Ik vraag me af waarom Rex er zo'n drama van maakt en ik kijk hem diep in de ogen en ik zie nu aan zijn blik dat ik effectief iets heel erg verkeerds heb gedaan en ik word bang voor de mogelijke gevolgen. Overdosis. Je had dood kunnen zijn.
Ik open mijn ogen en hij staat naast mijn bed. Hij wandelt heen en weer en aan zijn hele doen merk ik dat hij niet blij is met mij. Again. Hij stopt bruusk, kijkt me strak aan en begint zijn, deze keer volledig terechte, preek. 
"Zijt gij achterlijk ofzo?... Een gram ket... Wou ge dood ofzo, want zo, ja, zo gaat het wel lukken."
Ik hou nog steeds van hem en ik ben blij dat hij er is, dat ik niet alleen ben, maar ik voel mijn ingewanden op en neer springen, veel te hard, en ik moet kalm worden en zo lukt dat niet. Dus ik haal Hanne er maar bij. We zitten in de wolken, mooie zachtroze wolken, en er is een lichtpaars pad en daar komt Hanne al aangevlogen.
"Ja, D...., da's niet slim, he?"
"Ik weet het."
"Ja, het spijt me echt, maar veel kan ik er ook niet aan doen. Tenslotte ben ik een gedachte van je, dus, ja... sorry."
We knuffelen en dan vliegt ze weg. Ik blijf staan op het pad in de wolken. Een gedachte, he? Dus ik controleer volledig wat er gebeurt? Nice. Waar wil ik naartoe? 
Ik wil Morpheus ontmoeten.

Met open ogen zie ik hoe het plafond een sterrenhemel wordt en ik vlieg het heelal in, diepzwart en bezaaid met fonkelende glitters. Ik herinner me het einde van Sandman en ik zie het gebeuren en word dieptreurig en wil huilen, maar dit zijn mijn gedachten, dus ik heb de macht wijzigingen in de storyline aan te brengen. Ik zweef door prachtig ingekleurde universa en wacht. Opeens staat Morpheus voor me en hij is imponerend machtig en beeldschoon. De ruimte verandert en hij zit op een troon, met een achtergrond die bestaat uit alle soorten hemel en alle bestaande en onbestaande kleuren en alles schittert en ik voel tranen opkomen door al die schoonheid. Hij kijkt me aan en zijn blik is ondoordringbaar en ik ben ontroerd dat hij mijn bestaan heeft opgemerkt. We praten even over de dromen waar ik in vlieg en dan staat hij op en de ruimte is opeens gevuld met schitterende spiegels. Hij haalt eentje achter zijn rug vandaan en het lijkt vaag op een paard, zo'n tzee meter lang en anderhalve meter hoog.
"Dit," spreekt hij me diepernstig toe, "is je leven."
Hij reikt me mijn leven aan en ik spiegel mezelf erin, geintrigeerd.
"Dit is je leven. Je hebt er maar een, dus wees er voorzichtig mee."
Ik neem mijn levensspiegel klungelig onder mijn armen vast en het is onhandig en zwaar en ergens wil ik het ogemblikkelijk kapot smijten, gewoon omdat ik het kan, maar ik voel de ernst van alles en ik bekijk de krassen op het glas en neem me voor er voorzichtiger mee te worden.

Het is nu zo'n vijf uur 's nachts en ik wil Damian bellen, maar hij neemt niet op omdat hij nachtelijke telefoontjes niet ernstig dunkt. Rex durf ik absoluut niet te storen. Mijns inziens was ik de laatste twee dagen behoorlijk goed bezig op een meer afstandelijke, vriendschappelijke manier met hem om te gaan en nu heb ik het natuurlijk verpest. Dat en het hele feest en bijna mijn eigen leven. Hoogbegaafd en achterlijk. Niet dood te krijgen en suicidaal. 

Ik voel me heel alleen. Ik bel de verpleegster op om Klara op te zetten, want ik zal nog beter trippen met klassieke muziek erbij. Ze brengt ook een volledige fles water mee, die waarschijnlijk wel op de rekening zal verschijnen. Verdomme. Hoeveel gaat dit grapje u kosten? Ze hebben niet eens iets gedaan; een baxtertje en uitrusten, that's it. Verdomme. Waarom lieten ze me niet op feestje? Mensen met hun goede bedoelingen altijd. 

De nodige rust wordt me ontnomen als het ziekenhuis ontwaakt. De verpleging probeert niet eens te verbergen hoe graag ze me weg willen en ik begrijp, pharmaceutisch bedrijf enzo, maar het kost zo veel moeite om wakker te blijven en als ik mijn ogen sluit, hallucineer ik ogenblikkelijk. Met grote inspanning bel ik mijn Hasseltse vriendenkring op, maar zij slapen hun roes allemaal uit op het feestje en de enige die zijn gsm opneemt, is zelf aan het trippen. Wat een soep. Uiteindelijk heeft Rex me moeten ophalen. In de tijd daarvoor benadrukten de verpleegsters nog maar eens dat het slechte vrienden zijn en dat je er niet op kan rekenen en dat waarschijnlijk niemand zou komen en ik kreeg er zo'n stress van, maar ik was veel te zwak en te laf om te reageren, om te zeggen dat mijn lompigheid hen niet te verwijten valt, dus ik zweeg maar en tripte gestresseerd verder.

...

"Morgen ben ik op reis, he ma. Ik had dat wel al gezegd, maar gulder vergeet dat toch en ik wou nog eens bellen voor ik vertrok."
"Ah, da's lief. Naar waar gaat ge nu?"
"Geen idee. Ik ga hier met een vriend liften en we zien wel waar we uitkomen. Waarschijnlijk splitsen we onderweg ook, en dan ga ik alleen verder."
"Past maar op, he."
"Ge kent me toch."
"Wel lief dat je hebt onthouden te bellen."
Onthouden te bellen?... Jarig... Mijn moeder is vandaag jarig...
"Jaja, ik had het onthouden. Hoe is het feestje daar? Veel taart?"
50 jaar is ze geworden, jij was het vergeten en je had haar ook nog eens bijna een doodskist cadeau gedaan. Om eens over een mokerslag van schuld te spreken.
"Ja, het is goed, he. Pap had taart gebakken en we hadden een stuk voor u willen bewaren, maar je was er niet schuldschuldschuldwroegingwroegingwroegingspijtspijtspijt dus je kunt niet proeven."
"Haha. Geef een feestje als ik terugkom, dan kan ik dan taart eten."
"Typisch voor u. Nu, wees voorzichtig, he?"
"Altijd."
"En we zien u graag. Dat weet ge, he?"
"... Ja... Dat... weet ik... en... ikziejullieookgraag"

Op een moto vloog ik van Rex weg, net zoals enkele tranen over mijn wangen Da's van de wind, romantisch kutkind. Zet uw klep dan dicht. Is dit voorzichtig zijn voor u? en ik ga zo'n zes weken reizen in Europa en ik hoop dat ik mezelf weer vind, want het lijkt erop dat ik me een beetje verloren ben.

Als ik mijn naam had mogen kiezen, dan was het trouwens mijn titel geworden.

maandag 4 juli 2016

De afgeschafte trein.

Ik ben vierentwintig en klaar om te feesten. Mijn glazen drinkfles is voor zo'n 400 centiliter gevuld met brandewijn, ik heb een zak kersen mee die ik per vaak voorkomend ongeluk te laag geprijsd heb (dertien cent voor een kilo), twee gestolen donuts en net genoeg cash geld om mijn toegang tot Space Safari te garanderen. Mijn gratis Benelux-treintickets zijn zo hard gereduceerd dat ik ze niet wil gebruiken voor een poepescheetafstandje zoals Gent, zeker niet als de NMBS zo'n fijne promoties heeft. Alle loketten zijn al gesloten, dus ik stap op de automaat af, bestel mijn Go Unlimited, draai me naar het informatiescherm om en... mijn trein is afgeschaft. 
'Wegens een personenongeval op plaats X is heel het treinverkeer van en naar X in de soep gedraaid.'

Godverdomme.

Ik kijk om me heen, net alsof er op die manier opeens iemand zal verschijnen die mijn transportprobleem oplossen kan, maar er is geen enkele autoriteitsfiguur om raad te bieden en van mijn medereizigers valt bitter weinig hulp te verwachten. Dus ik drentel onzeker door het station, me afvragend hoe the fuck de wereld er nu voor zal zorgen dat ik tijdig op mijn goa-feestje arriveer, want ik wil drinken en dansen en kussen en roken en zien of er drugs of knappe mensen te fiksen zijn en hoe the fuck valt dat te realiseren als ik in mijn kutstation voor, ho maar, anderhalf uur moet wachten?

Smeerlap.

Ik ben veertien jaar, de leeftijd waarop knappe jongens nog illegale boomhutten bouwden en onze huisdieren alle mogelijks te ontvangen liefde personificeerden. Ik heb nooit een boomhut gebouwd. Niet alleen dat ik het nodige begijnhof miste, ook was er niemand voor mij om mee te bouwen. Ik ben alleen. Naar mijn gevoel mijn hele leven lang. 
Op de lagere school had ik wel tot een vriendengroepje behoord, maar dat was enkel te danken aan het zeer warmhartige karakter van de spilfiguur van dat groepje. Zij zocht de eenzamen van hart en bond ons samen tot een prettig geheel. Je zou bijna vergeten dat je niet populair was, niet geliefd en dat het vriendengroepje zonder haar zou verbrokkelen als een goed schimmelkaasje. Toen het einde van onze lagere schoolcarrière ons doemde uit elkaar te gaan, gaf ik haar mijn lievelingsring cadeau. 
Ik had grootse, plechtige en oprechte woorden van dankbaarheid willen uitspreken, om haar te bedanken voor haar jarenlange goedheid zich over ons (mij) te ontfermen en ons (mij) het gevoel te hebben gegeven 'erbij te horen', iets wat niet vanzelfsprekend was en waar ik haar nog steeds ontzettend dankbaar voor ben. Verder dan een beetje gestamelde nonsens, traanoogjes, een knuffel en een sip van ons glaasje appelsiensap - god, wat liet dat glaasje appelsiensap me volwassen voelen -  ben ik echter niet geraakt. Ik gaf haar de ring en voelde me ogenblikkelijk een debiel om zo'n romantische, sentimentele diepgang aan triviale zaken en gebeurtenissen te hechten.

Ik ben veertien en nog steeds niet populair. Je zou denken dat je eraan went, aan het ontbreken van een hartsvriendin om al uw pijn en geluk en tienergiecheltjes mee te delen, aan het zo laat mogelijk naar school vertrekken om de confrontatie met het gebrek aan vrienden zo miniem mogelijk te houden, aan het eenzaam ronddolen in de gangen of op de speelplaats tijdens de pauze, aan gesprekken die verstommen en medeleerlingen die ongemakkelijk giechelen of gefaket zuchten als je bij hen komt staan, aan uw klasgenoten die verontwaardigd zijn als de leerkracht je bij hen in het groepje plaatst... Leugens. Je verdraagt het, je hebt ondertussen al een schild ontwikkelt om niet steeds getroffen te worden, maar je blijft wel een mens, een mooie, intelligente, autistisch en diepgevoelige mens die zo ontiegelijk veel nood heeft aan vriendschap en liefde en er zo weinig van krijgt, omdat je moeilijk tot geen aansluiting met anderen kan maken. 
Ik begrijp de anderen niet. Waarom ze lachen en huilen en boos zijn en teleurgesteld en gekwetst. Ik probeer de aandacht te trekken van zij die mij verdragen kunnen door irritant te doen. In de lagere school aapte ik hun woorden na tot hun kregeligheid naar woede begon te neigen. Ik porde hen tot het moment dat ze zich in de speeltijd preventief opsloten in de toiletten om aan mij te ontsnappen. 
Ik voelde aan dat het niet oké was, dat het gewenste effect niet bereikt werd, aux contraire, maar ik wist begot niet wat ik zou kunnen doen om populair en geliefd te zijn. Dus ik keek hen na terwijl ze lachend en gillend hun wc-deurtjes op slot deden, zette me op een bankje, verdrong mijn tranen en dacht. 

Ik ben veertien en wel populair in mijn dromen. Ik heb verschillende personages voor mezelf bedacht en in mijn favoriete fantasie, een mix tussen Bakelandt en De Rode Ridder, ben ik een nymfomane brigand, zwoel en schaarsgekleed en verrukkelijk en moordlustig en wreed. Ik verkracht en folter en roof en moord en neuk er maar op los, tot de mannelijke antagonist in het spel komt en ik er verliefd op word. Soms rijg ik hem uiteindelijk aan mijn degen, met traanogen en een gebroken hart. Soms word ik verrot geslagen of verkracht en beseft hij dat het leven kut is en schaarst hij zich bij mijn bende. Soms ook word ik opgehangen, neergestoken, gewurgd of verdronken door de hand des wets. Gelijklopend in elke storyline is dat ik door iedereen zowel gevreesd als aanbeden word. In mijn wereld  leven elfen en tovenaars en hoeren en ridders en draken en eenhoorns en na Pirates of the Caribbean kwamen er massaal veel goddelijke, langharige, geromantiseerde piraten bij. 
Ik hou van mijn dromen. Ik hou van het gevoel de leider te zijn in een spannend avontuur, het gevoel de macht in handen te hebben. Mijn dromen zijn verslavend. Ik hoef mijn ogen er niet eens voor te sluiten: het avontuur, de romantiek en het drama rollen vanzelf mijn hoofd in.

Ik ben veertien en ik heb beslist om dood te gaan. Het is te zwaar aan het worden, allemaal. Jarenlang enkel oppervlakkige vriendschapsrelaties, nu zelfs dat niet meer, ouders die thuis constant aan het bakkeleien zijn, ik die niets goed lijk te kunnen doen in eender welk onderdeel van het leven... Ik voel me een talentloze, lelijke, stomme, domme sukkel die nergens in uitblinkt, door niemand geliefd wordt en door niemand gemist zal worden. Meer zelfs, ik ben ervan overtuigd dat de wereld een betere zal zijn zonder mij erin. Alsof mijn aanwezigheid het geluk van de gehele mensheid tegenhoudt. 
Gelukkig ben ik niet, laat dat duidelijk zijn. Blij en opgelucht en tevreden, dat durft wel eens voor te vallen, maar dat is slechts een schampere afleiding voor het verdriet, de onmacht en de interpersoonlijke teleurstelling die constant zwaar op mijn schouders drukken. 
Ik ben waardeloos. Ik ben lelijk. Niemand houdt van mij. 
Soms ga ik hierover wel eens in discussie met mezelf, maar de bewijzen spreken allemaal tegen mij. Ze rennen van je weg, weetjenog? Ze zuchten als ze met je moeten samenwerken, ja? Geen vrienden? Geen lief? Alsof iemand van jou zou kunnen houden.
Waardeloos. Lelijk. Ongeliefd. 
Het kost me steeds meer en meer moeite om mijn dromen te verlaten en in de realiteit te komen. Soms huil ik als ik wakker ben geworden. Ik leef op automatische piloot en acteer de dag door, tot ik eindelijk weer mijn bed in kan. Zelfmoordwensen -en gedachten zijn bij mij altijd sluimerend aanwezig geweest, maar nu is er geen houden meer aan. We zijn zelfs al bij de volgende stap gekomen: het zelfmoordplan. Ik ga alle mogelijkheden af, gewoon, voor de grap. 
Ophangen? Makkelijk, dat wel, maar wil je echt of een onbekende op straat of uw ouders thuis traumatiseren met uw bungelde overschotten? Nope. 
Vergif? Ja, oké, maar waar vind je dat? Cyaankali ofzo, echt vergif, geen tante Kaat prut? Ik wil dood, niet nodeloos afzien. Next. 
Een emootje doen en de polsen doorsnijden? Hm, nee, niet alleen gaat dat meer pijn doen dan ik ervoor over heb, we zitten dan ook weer met het 'Oeh, kijk se, het lijk van mijn dochter'-trauma dat je niemand wil aandoen. 
Kogel door de kop? Door uw mond wel, ja, dat zou ideaal zijn. Mochten we in Amerika wonen. Hoe geraakt een veertienjarig meisje in dit land nu aan een pistool? Jammer, echt, doodzonde, maar het is onmogelijk. Wat dan?

De trein?

De trein. Ja. De trein. Ik kan geen enkel argument daartegen bedenken en ik voel een vorm van opluchting bezit van me nemen, opluchting die me gelukkiger maakt dan eender wat de afgelopen tijd heeft gedaan. 
Ik begin vaker mijn dood te fantaseren, ensceneren, met als climax een massa mensen, huilend in de kerk, beseffend wat een groot leed en onrecht ze me al die jaren hadden aangedaan door hun liefde niet genoeg te tonen. Bewierookt en bemind, zo zou men me begraven. Na mijn dood zou ik, eindelijk, de erkenning en liefde krijgen die ik niet had weten te realiseren in mijn leven. 
En ik sterf en sterf en sterf elke dag opnieuw en ik word er zo maar even gelukkiger door. Ik ben bij machte mijn leven te beëindigen en er zo voor te zorgen dat alle jarenlange opgebouwde pijn en frustratie en verdriet ook ophouden te bestaan - een besef dat zeer rustgevend werkt. Met mijn dood verwijder ik al mijn leed, oftewel, sterven zal me gelukkig maken. Ik word bijna euforisch van deze gedachten; eindelijk geen tranen meer, geen onbegrip, geen verwensingen, geen eenzaamheid... Niets. Ik zal niets worden. Een zalige niets. 
En ik lach en ben gelukkig en ik kijk naar de treinen en in de vreugde over mijn komende zelfmoord denk ik hoe het zou zijn. En ik zie me op de sporen wandelen. Ik voel de nervositeit, de startende angst, de twijfel. Ik zie de trein in de verte. Meer angst, meer twijfel. Krop in de keel, trillende handen. De trein komt dichter en dichter, de grond bibbert even hard als mijn hart en de trein raast en raast maar vooruit, steeds dichter en dichterbij, er wordt geclaxonneerd en hij is dicht, zo dicht, zo onmenselijk dicht en ik ben bang, ik ben zo fucking bang voor die trein die mijn leven verpletteren zal.

Ik ben veertien en ik heb net beseft dat ik geen zelfmoord kan plegen. 
Ik ben waardeloos. 
Ik ben lelijk. 
Niemand houdt van mij. 
En ik heb nog niet eens de ballen er een einde aan te maken. 

Ik ben de grootste loser die er bestaat.

...

"Ik heb jouw ring nog steeds bewaard."
"Ring?"
"Ja, die je me op het einde van de lagere school hebt gegeven."
M. dist uit haar zakken een gouden plastic eitje van de Kinder Surprise op, doet hem open en jawel, daar zit 'ie. Mijn lievelingsring uit het zesde leerjaar, met pareltjes in elkaar gevlochten door mijn meter. Ik wil grootse woorden in de mond nemen om als tiener de dankbaarheid te kunnen uiten waar ik als kind niet in geslaagd was, maar ik glimlach alleen maar. M. glimlacht mee. Daarna keuvelen we verder, verplaatsen ons naar een ander onderwerp en ik besef dat ik er goed aan had gedaan een romantische, sentimentele debiel te zijn, me kwetsbaar op te stellen en mijn liefde voor iemand te tonen. 

maandag 27 juni 2016

Beschonken epiloog

Artisanale aardbeienlikeur. Een stevig glas blonde rum. Whisky. Mede. Becherovka.

"Gij drinkt dat zo?"
"Hoe anders?"
"Gemixt."
"Ge kunt dat ook mengen met pisang."

Becherovka gemengd met pisang.
Smerig.

"Doe er wat sinaasappelsap bij, dat is altijd goed."

Becherovka gemengd met pisang en sinaasappelsap.
Minder smerig.

Ik schuifelde op Hannes housewarming van groepje naar groepje, ervoor wakend steeds mijn glas gevuld te hebben met een inhoud van plusminus veertig graden en erop lettend me zo goed mogelijk met iedereen te assimileren. Betekenisvolle vriendschapsrelaties staande houden doorheen de tijd, da's moeilijk voor mij, maar smalltalk? Mensen zijn gemakkelijk communicatief bevredigd: lach en knik veel, heb een open houding, pas uw non-verbale gedrag aan naargelang het besproken thema, laat de ander de meeste thema's kiezen, luister, stel bijvragen en geef iedereen zo vaak mogelijk gelijk - de effectiefste manier om sympathiek over te komen bij en een deftig gesprek te voeren met mensen waar je eigenlijkfeitelijk niet echt in geïnteresseerd bent.

Ik lachte, luisterde, dronk te veel te snel en mijmerde over wat me te veel te snel drinken liet.

Twee weken geleden had de grote, allesvernietigende ruzie met Rex plaatsgevonden. 

Links of rechts? 
Hoe vaker ik eraan dacht, hoe belachelijker mijn onwetendheid werd - tot ik me realiseerde dat ik, zelfs als ik de vraag goed begrepen zou hebben, met mijn mond vol tanden had gestaan. Nog nooit met mijn fietske naar Brussel gereden.
Links of rechts?
Zijn woede en frustratie. Mijn angst en verdriet.

Wat zou er gebeurd zijn als ik niet was weggerend? 

Ik wandelde instabieler dan normaal naar de welvoorziene sterkedranktafel, schonk mijn glas vol en legde contact met een ander groepje, lachend, luisterend en drinkend.

Als hij zijn zelfbeheersing terug had gevonden daar waar hij hem was kwijtgespeeld en zich vanaf dan enkel verontschuldigend en lief had gedragen, dan had ik me voor het merendeel bijeen kunnen rapen en doen alsof ik niet gebukt ging onder herzschmerz. Echter, zowel in de auto als bij hem thuis was hij volledig gespeend geweest van enige compassie. Statistisch was de kans het grootste dat hij begriploos zou blijven en het zelfs zou wagen me verder te heropvoeden ("Ben je nu nog aan het huilen? Oh man. Dat gaat erover. Stop er maar snel mee.") op weg naar zijn ouders. Sowieso dat ik dan een onstuitbare waterval van leed was geworden, of in de auto - met ogen als rode meren toekomend bij zijn familie - of aan de eettafel zelf. Leuk. 
Van zijn gezin had ik gegarandeerd back-up gekregen, maar wat heeft dat voor belang als de enige persoon die ertoe doet zich daar niets van zou aantrekken en u verder offensief zou afkraken? 

Mijn keuze had niets uitgemaakt. Mijn onbegrijpelijke, nergens voor nodig zijnde verdriet had zijn ergernis gewekt. Niet huilen, ja, dat was de redding geweest - maar hoe valt dat te realiseren als de mens van wie je houdt u minutenlang verbaal meedogenloos in elkaar dreunt?

Hoewel mijn gedachten zich vaker dan gewenst lieten afleiden naar ongelukkigmakende materie, was ik zelf behoorlijk gelukkig. De mensen waren aangenaam, de drank was sterk en de rokers waren gul. Ik opende mijn glimlach en vroeg haperend en extreem articulerend of men mij een sigaretje wou leren rollen. Tuurlijk. Mijn handen waren te zat om mee te werken, dus de leerschool bleef observerend, maar ik hield er wel de mij gewenste nicotine aan over.

Te veel te snel gedronken. Geëindigd met de minder smerige becherovka, gemengd met pisang en sinaasappelsap. Ik voelde dat ik het eventjes kalmer aan zou moeten doen wat alcoholische dranken betrof, maar hoe lekker zou dat sigaretje smaken in zo'n beschonkenheid? Verdomd lekker, me dunkt.

Ik zette me op het kleine balkonnetje, volledig bewust van de sterkedrank in mijn aderen en ik inhaleerde diep. Inderdaad, dat smaakte lekker. Mijn hoofd werd zaligmakend licht en toen begon alles te vliegen. Ikzelf, de huizen, we vlogen allemaal chaotisch heen en weer. Prachtig, zo prachtig allemaal, maar waarom werd ik me zo bewust van de aanwezigheid van mijn maag? Hoe intenser ik de buitelingen van de gebouwen tot me in liet dringen, hoe intenser mijn maag begon te schreeuwen. Ik zou toch niet..? Nee, als ik nu even zou stoppen te focussen op mijn waanbeelden, dan zou mijn maag vast wel weer kalmeren en zou ik niet hoeven...

*bedenk zelf een vies kotsgeluid*
*en nog een*
*en nog een*

Ik had de planten en op de stoep geparkeerde fietsen genoeg mondspoeling gegeven, dus er werd me een emmertje in de handen gestoken.

*nog een*

De huizen dansten wild om me heen. Ik besefte dat ik te ver heen was om gekalmeerd te raken en dat ik het zou moeten uitzitten. Shit.

*nog een*
*vals alarm*
*toch niet*

Mijn haar werd in een rekkertje gegijzeld, wat handig maar zeer onflatterend was. Iemand peuterde de resterende sigaret uit mijn handen. Jammer. Mijn mond werd afgekuist. En ik zat daar maar, met mijn ogen dicht omdat de huizen veel te dicht en veel te wild met me wilden vliegen, te bibberen van de kou, mijn hoofd zo dicht mogelijk bij mijn redding gekluisterd; het plastic emmertje. Zelfs al werd ik enorm geholpen door alle mensen om me heen, dat emmertje was mijn dierbaarste vriend in die uren. 
Men bracht me mijn jasje. Ververste de emmer. Vroeg of alles goed was. Nee. Alles vliegt. Zei dat alles goed ging komen. Aaide me door mijn haar. Ik werd naar bed geleid. Stootte mijn emmertje, mijn liefste, liefste plastic emmertje om. Iemand die ik niet kende ruimde alles op. 

Blijkbaar is andermans kots opruimen toch niet zo bewonderenswaardig dat je er complimenten voor verdient. Toch vond ik het fijn, toen. Het was lief dat je zei dat ik. 
Ik weet dat jij dit nooit voor me zou doen. Ik neem het je niet kwalijk. Misschien neem ik je minder kwalijk dan had gemoeten, maar kan ik je echt blameren voor je gevoelige neus? Voor je relationele incapabiliteit?

Je beseft toch wel dat jouw controledrang, de wil om altijd je eigen zin te doen, de dominante te zijn, de onmogelijkheid om andere mensen als gelijkwaardig te beschouwen, hun gevoelens te erkennen als evenwaardig aan de jouwe en daar rekening mee te houden, kenmerken zijn van autisme?

Je hebt het erger vlaggen dan ik.

Mijn maag was manueel leeggepompt. Ik schopte mijn schoenen uit, kroop in bed en trok het deken over me heen. Om half tien was ik nog wakker geweest en spauwde ik slechts woorden uit mijn lijf. Om half vier werd ik opnieuw wakker, met een mond die al beter had gesmaakt. Zo maakte ik het eind van het feestje mee. Ik bleef slapen, maar niet, nooit voordat ik mijn make-up had verwijderd en mijn tanden had gepoetst. De zetel werd onze slaapplaats. Onze, want ik werd tussen Hannes broer en haar ex gesandwicht.

"Ge blijft van elkaar af."
"Ja, tuurlijk, ik ben dat echt niet van plan."
"Ik had het niet tegen u."

Lolz.

We hebben allemaal kunnen slapen, de een al beter dan de ander, maar het zou sowieso geholpen hebben mocht de onderbuur de mening toegedaan zijn dat acht uur 's ochtends niet het beste moment is om uw favoriete metalnummertjes te draaien, met boxen zo luid dat er drie in een vibrerend bed lagen te bibberen. Het zou ook geholpen hebben mocht tweederde van de bedbezetters de mening toegedaan zijn dat half negen 's ochtends niet het beste moment is om met elkaar een gesprek aan te gaan - onder andere over het genre metal dat ongewild beluisterd werd.

Hoewel ik de rest van de ochtend niet meer in slaap ben geraakt, bleef ik liggen. De kat sprong op en af het bed en miauwde naar aandacht. Iemand ging koffiekoeken halen. Iemand werd teruggeroepen naar de slaapkamer voor knuffels.

Knuffels. Geef toe dat je dat ook mist. 's Ochtends en 's avonds in elkaar verstrengeld liggen. Die menselijke warmte. Genegenheid. Liefde.
Nee, slik die kots maar terug in, ik heb hem voor ons beiden reeds uitgespuwd.
Je vond het fijn als ik bleef slapen. Je wou dat ik langer bleef.

Besef je dat je me toen lief hebt gehad?

Ik had je altijd lief, maar het meest op die momenten. Net omdat het dan ook wederzijds was. 
Omdat je je mond gebruikte om te kussen, in plaats van ironische opmerkingen schamper uit te delen. 
Omdat je je handen gebruikte om me te strelen, in plaats van me de deur te wijzen.
Omdat je je lichaam gebruikte om toe te geven aan de liefde, in plaats van je ertegen te verzetten.

Ik zou moeten denken aan hoe vaak je me beledigde, afsnauwde, vuil bekeek, kleineerde en domineerde. In plaats daarvan krijg ik een aaneenrijging van flashbacks van onze beste momenten samen. Ik denk aan feestjes, vrijages, kussen, knuffels, de zachtheid van je ogen in die momenten en hoe warm je lichaam was toen je fluisterde dat je me leuk vond.

Ik mis die warmte.

We aten sufjes koffiekoeken, nootjes en popcorn, dronken koude en warme thee, bekeken Rango en Space Jam, schepten een beetje orde in de chaos en toen ging ik naar huis. Katerloos, like always, maar ik had wel eindelijk mijn opgezet poesbeest, havik en luipaardvel mee. Ik nam me voor om vroeg in mijn bed te kruipen, maar die intentie is nu al mislukt.

...

Hoe het afgelopen is tussen mij en Rex, vraagt u?

Hij wou me niet meer zien.
Ik wou hem wel nog zien.

Dus ik zag hem.

Ik wou praten.
Hij wou niet meer praten.

Dus ik praatte en hij zweeg - de ritmische herhaling van zinnen als 'Ga weg', 'Bol het af', 'Vertrek', 'Mijn huis uit' buiten beschouwing gelaten.

Ik heb al makkelijkere gesprekken gehad.

Uiteindelijk kon hij uitbrengen dat het gestoord was. Wat? Dit. Bij hem thuis staan, volledig ongewenst, hoe zot was dat. Echt comfortabel voelde ik me toen ook niet, maar had hij niet alle moeite van de wereld gedaan mij te negeren? Een gesprek met mij te ontwijken? Dacht hij echt dat het zo werkte in het leven: negeer iemand en die persoon verdwijnt vanzelf uit uw leven? Niet met mij. Maar goed, gestoord. Elf dagen werd ik genegeerd en dan had dit gesprek nog niet plaatsgevonden, dus wat was er zo gestoord? Dat ik huilend wegliep?

Ja. Dat was er echt over. 

Ik werd voor tien minuten lang luidruchtig uitgekafferd omdat ik een vraag slecht beantwoordde. Ik kreeg een tirade over me heen over hoe nutteloos en lomp ik was. Dat het misschien door mijn autisme kwam dat ik zo'n simpele vragen slecht begreep, maar dat hij wel verwachtte dat ik me dan maar ging aanpassen. Dat een hond intelligenter is dan ik.
En toen liep ik huilend weg. 

Echt gestoord.

Toen realiseerde ik me dat je totaal niet in staat bent mijn kant van het verhaal in te zien, laat staan er begrip of spijt voor te hebben. Je hebt verwoed tegen een bal geschopt die dan aan het rollen sloeg, om daarna de bal woedend het gerol te verwijten. Jij vond het niet oké dat ik huilde. Dat ik het niet oké vond dat... maakt je niets uit. Onbelangrijk. Irrelevant. Gehalveerd existentialisme. Self fulfilling prophecy. Uw fouten tellen niet, die van de ander des te meer.

Me dunkt dat je oud genoeg bent om uw verantwoordelijkheid op te nemen, te beseffen dat iemands persoonlijkheid kneedbaar is en uzelf te beginnen kneden naar iemand die niet bezeten is door woede, maar wel liefde durft uit te delen en te ontvangen. Het is immers zoveel leuker samen lief te hebben dan eenzaam uit te schelden.

Vergeet de knuffels niet, Sammy.

woensdag 22 juni 2016

Het brandt niet, het schreeuwt.

Ik had hem gevraagd te kiezen, remember? Het is nu perfect tien dagen geleden. Wat heeft Rex gekozen, vraagt u? Wel, we kunnen een Nic Balthazarke doen:

Niets was alles wat hij zei.

Geen sms'je, geen telefoontje, geen verdomd Facebookberichtje... nul, nada, noppes. Elke keer als de honden van de buren afgingen, hoopte het kleine, naïeve sprankeltje hoop in me - hoe vaak dat sprankeltje u ook kloot, mijn liefste lezers, zorg dat je dat nooit verliest, want dat beetje hoop in de toekomst is hetgeen wat ons menselijk houdt. Buiten ons DNA dan - dat hij voor de deur zou staan, vervuld van wroeging, spijt en berouw. En ik zou de deur opendoen, en een grote gelukkige glimlach zou mijn verbazing snel opzij duwen, en ik zou hem knuffelen, me herinneren dat ik boos behoorde te zijn, effectief boos worden, en teleurgesteld, en gekwetst, en hij zou de juiste woorden in mijn oren leggen en ik zou vergeven, vergeven en liefhebben.

Mijn ouders stonden voor de deur. En wie was die jongen met wie je oma je gisteren zag?
Mijn Habibi stond voor de deur. Gaat het met je?
De postbode, die vrij is en absoluut niet mijn bezit, stond voor de deur. Hier tekenen, alstublieft.

Ik raadpleegde mijn tarotvrienden en, hoewel voor iedereen de klootzakkerigheid van Rex als een paal boven water stond, waren de meningen van de kaarten verdeeld. De ene raadde me aan niets meer van me te laten horen. Een andere stelde voor in mijn plaats haar vuist tegen zijn gezicht te plaatsen om een onzachte manier. Nog eentje hoopte in mijn belang dat hij uit mijn buurt zou blijven. Waar iedereen het over eens was:

Jij begint het gesprek niet, dat is zijn verantwoordelijkheid.

Dus ik wachtte koppig. Op het sms'je, telefoontje, Facebookberichtje, eindelijk terecht hondengerinkel... Een dag verstreek, en ik was pissed en verdrietig. Een paar dagen later kwam daar verbazing bij. Op den duur lichte wanhoop.
Ik wou iets typen, iets verzoenend liefs, iets meedogenloos wreeds, iets casual neutraals... eender wat, om het gesprek en het leven dat we toch, voor een fractie van ons bestaan, met elkaar gedeeld hadden weer op gang te krijgen. De wijze zijn. Violen proberen gelijk te stemmen. After all, mensen zijn af en toe klootzakken. Heck, vraag maar eens aan Damian wat een bitch ik ben geweest. Punt is dat we allemaal fouten maken die soms moeilijk te vergeven lijken, maar als iemand oprecht spijt betoont, uw gevoelens en het probleem erkent en eraan wil sleutelen... dan zou je maar een hardvochtige dwaas zijn als je niet vergeven kunt.

Maar ik mocht niet als eerste beginnen spreken. Hah nee. Hij had zich gedragen als een asshole, hij moest het maar goed maken - en deed 'ie dat niet, good riddance voor u. Vergeet ook niet dat dit een controlespelletje is: als jij nu toegeeft, ga je dat altijd moeten doen. Niet makkelijk zijn. Niet buigen.
Dus ik werd nu Takenoko gedoopt. En deze kleine bamboe ging niet buigen, oh nee, geen sprake van. Hoe zeer de woede en de teleurstelling en het verdriet en de onmacht ook op mijn blaadjes drukten, ik ging niet buigen.

Hoelang zou ik echter wortel moeten schieten?

Een vriendin gaf toe dat zij zich wel hetzelfde zag doen als Rex. Waarom? Uit schaamte. Angst om de ander onder ogen te komen. Ook als jij zo'n klootzak zou zijn geweest? Dan zeker. En hoelang? Toch enkele weken. ENKELE WEKEN? Damn. Kut. Hoe kan een mens zo koppig zijn wat de liefde betreft? Je praat problemen toch zo snel mogelijk uit, wat het verdict ook moge zijn. Toch? Toch?

Ik bleef dan maar wat treurig verder groeien, mezelf vrede en geluk ontzeggend met mijn door vrienden opgelegde koppigheid.

Tot een andere vriendin haar tong vijlde tot een naald en mijn met helium en hoop gevulde ballon doorprikte. Misschien ziet hij u helemaal niet zo graag. Misschien heeft hij geen spijt, schaamte of angst. Misschien is dit zijn manier om met zijn problemen om te gaan: negeer ze en ze verdwijnen vanzelf.

Nee...? Echt...? Zou iemand zo...? Net hij..? Nee toch?

Ik greep de vele vraagtekens stevig vast, trok mijn voeten uit de grond en besloot weer mens te worden, zelfs als dat zou inhouden dat ik buigen moest. Het was te verwarrend geworden: hij kon me nu niet alleen negeren uit angst en schaamte, of omdat hij het juiste moment afwachtte, of omdat zijn ego in de weg stond, nee, nu kwam daar ook nog eens 'omdat hij niet genoeg van me hield om er een lettertje moeite in te steken' bij. Splendid. Just what I needed to hear.

Facebook had me laten weten dat zijn gsm weggelopen was op een doorgeregend festival, dus die optie viel weg. Een berichtje daar was makkelijk op te stellen, maar even makkelijk te negeren. Face to face is altijd het beste. Naar hem afzakken dan maar? En wat als hij niet thuis was? Dan stond je daar mooi. Is dat ook niet te veel moeite? After all, hij had zich echt als klootzak gedragen. Maar god, zijn gezicht als ik opeens voor zijn deur zou staan, sowieso geniaal.

Twijfels, twijfels.

In een donotcare-bui boog ik, schreef dan maar een bericht dat begon met 'teergeliefde klootzak' en hem de keuze gaf om zijn grotejongensbroek aan te doen, zich te verontschuldigen en weer geliefd te mogen worden of om het uit te maken. Voor zover het ooit aan was. 

Het duurde zo'n half uur eer hij het bericht las en een vol uur later waren mijn van hem ontvangen messages als mijn geduld: onbestaand. 

Kijk, wat voor relatie je ook met iemand hebt, zijnde vriendschappelijk, seksueel, emotioneel, sociaal, contractueel, professioneel of een allegaartje van alles, het is absoluut niet matuur, niet vriendelijk en absoluut niet respectvol om op zo'n manier desbetreffende relatie te beëindigen - ongeacht wie er welke dick move heeft gemaakt. Ik dacht dat het uitmaken via sms een miserabel jeugdig dieptepunt was, maar blijkbaar zijn er ook mensen die, zoals mijn liefste Hanne troostte; 'ondanks de emotionele investering in elkaar de ander niet willen begrijpen, omdat ze zo hard bezig zijn met op hun tenen getrapt te zijn', dat ze gewoon alles weggooien om in het luchtledige te verdwijnen.


Er was iemand die van je hield. Iemand die bereid was jouw emotionele brokken bij elkaar te zoeken en met tijd, moeite en liefde alles terug aan elkaar te proberen lijmen. Iemand die over jouw lompigheid, boertigheid, arrogantie en dwaze klootzakkerigheid heen kroop om, geschaafd en geschramd, de diepte van je ziel te zien en te bewonderen. 

Jij struikelde over een keitje dat op jouw weg lag en besloot dat dit de moeite toch echt niet waard was.


Mijn beste amateur in de liefde. Deze professional is nog steeds, nog steeds, na alle fuckin' desinteresse van uw kant bereid om enigszins volwassen te handelen en te praten, en, wie weet, misschien een plooitje glad te strijken. Een beetje begrip te kweken voor elkaar, als schimmels op een vochtige kamer. 

Hopelijk ben je intelligent genoeg om te beseffen hoe menselijk het hand is dat zich naar u uitstrekt.

Sincerely

D.

(Overigens heb je mijn naam altijd verkeerd uitgesproken, maar we kunnen niet allemaal whiny little bitches zijn die geschoffeerd raken door zo'n futiliteiten.)

maandag 20 juni 2016

Zaradi Tebe

Mooie meisjes, met namen als gestolen zoete wijn, intens koude zomerse kleuren en Caspars godsgeschenk, die zwoel en begeerlijk en koel en wild en sensueel het ritme met hun lichaam hebben wakker geschud, die knuffelden en kusten, hun vrienden zochten om geknuffeld en gekust te worden en hiervoor toestemming verleenden aan de mooie jongens aan hun zijde.

Wij danken u.

Zatte heren, met namen die uit de Vlaamsche grond ontspruiten als onkruid, die beheerst en boertig wild diezelfde grond nog wat harder hebben aangestampt, die de avond begonnen met een mogelijks huwelijksaanzoek voor hun vriendin en afsloten met veel te vaak geweigerde aanzoenen.

Ook u wordt bedankt.

Alle mensen die me hebben gehuisvest, in een zetel of een tweepersoonsbed dat naar grootmoeder en goedkope snoepjeswasverzachter ruikt, die al dan niet vlooien op hun huisdieren hebben, een boot in de tuin of een cannabisplantje in hun slaapkamer, die rustig gaan slapen met een gelukkige lever en een pyjama aan of niet meer op deze wereld, naakt en pogend knuffels, kussen en slaapcompagnie - Nee. - te verkrijgen.

Een ieder die me heeft vervoerd, bijna tegen een bus zwalkend achterop de fiets of lekker comfortabel in een grote auto, naar het festival of naar huis.

De koffietheebrownie-verkopers die mijn rommelmarktzakken een hele dag lang veilig hebben gestald.

Iedereen die me sigaretten, drank, vuur en een fijn gesprek heeft aangeboden en ook jij, medestadsbewoner, die om één 's nachts bij onbekenden binnenglipt om kanker te geven en kussen te stelen.

Tin Soldier in the Underwood, Vagabundos, Stompin' Caravan, Gloria Boateng en zoveel anderen.

U was geweldig.