zaterdag 4 maart 2017

De vettigste avond van 't stad

Het is nu al bijna een jaar dat ik probeer in elk weekend een feestje te proppen. Psytrance blijft de absolute favoriet, maar soms glipt er een druppeltje nostalgische metal bij, kruipt er eens wat drum and bass tussen, probeert een hardnekkig overblijfseltje punk te overleven of wordt de vrijdag -of zaterdagavond onverwachts gekidnapt door techno, acid, house of, godbetert, hyperactieve Balkan-hoempapa.

En dan gebeurt er ook eens dit.

Op donderdagavond zag het komende weekend er betreurend blanco uit, dus ik checkte alle evenementen waar ik me als 'geïnteresseerd' op had gezet, wel beseffende dat ik voor de meeste van die events evenveel interesse had als een onenightstand in het ontlokken van een vrouwelijk orgasme. Doch zie hier: een verkleedfeestje dat zo onuitstaanbaar extravagant marginaal is dat ze volk proberen te klissen door gratis Cara's aan te bieden. Gratis. Cara's.

Perfect.

Zonder enig benul te hebben van de muziekstijl wist ik mijn Hannepoep (die met haar mix van rationele en creatieve genialiteit de kranten heeft gehaald, de kranten die zo stupide zijn dat ze nergens gewag hebben gemaakt van haar site) te motiveren onze vrijdagavond gezamenlijk te verzuipen in een naar Cara-meurend bacchanaal. 

Rond vijf uur liftte ik naar Antwerpen, waar ik naar goede gewoonte een uur in de file zat en naar nog betere gewoonte bij Hanne ontvangen werd met de figuurlijke talloor al op tafel. We gingen haar sjoe even bezoeken in de taverne achter de hoek en terwijl hij overuren klopte, goten wij woordelijk wat van de essentie van ons bestaan in de ander over, een nooit volbrachte handeling die mijns inziens vriendschap definieert. 
Toen de muziek te hard op ons gesprek begon in te beuken, vluchtten we terug naar de kalme gezelligheid die een kop versgezette thee (met gember!), een gemakkelijke zetel, een warm dekentje en door David Attenborough ingesproken natuurprogramma's aan te bieden hebben. 
We zaten er zo verdomd cosy dat het tamelijk wat wilskracht kostte om de kat samen met het deken van de schoot te werpen en de voorverwarmde zetel in te wisselen voor een nacht die nog niet begrepen heeft dat de lente in het verschiet ligt. Hanne twijfelde zelfs nog het feest te laten voor wat het was terwijl we al op de tram stonden te wachten.

We moesten zo'n tien minuten op de tram wachten. In die tien minuten was ik zo lomp geweest om oogcontact te maken met een overdreven vrolijk en volslagen labiel mannetje, dat hierin de start zag van zijn avondlijke bezigheidstherapie, onvrijwillig door ons voorzien. 
Hij wou een thumbs up. De bevestiging dat we vrienden waren. Nog een thumbs up. Een vuistje. Wederom bevestiging. Een knuffel - die hij niet direct van Hanne kreeg, waarop hij wegliep en al grienend terugkwam. Bevestiging. Knuffels. Op onze schoot proberen zitten. Eisen dat ik - die op dat moment serieus aan het overwegen was om me strategisch achter de obvious meelevende ne... Afrikaan van zwarte origine te verschansen - op Hannes schoot ging zitten.

Gek hoeveel opluchting een naderende tram verschaffen kan.

Nog steeds in een lichtelijk opgefokte state of mind verlieten we de tram, richting Zappa. Achter ons waggelde een bezopen groepje minderjarige marginalen, het soort mensen waardoor je spontaan sneller begint te stappen. Hanne legde onmiddellijk de connectie tussen hen en het feest waar ze steeds minder zin in kreeg, ik wou het nog even afwachten. After all, op de meeste feestjes glibberen er wel enkele randdebielen in. 
We besloten ons aan de ingang te placeren en de marginaliteit van de bezoekers te beoordelen. 
Het feest was twee uur aan de gang en op de stoep zat een puberaal wicht volledig ineengezakt, reeds lamgeslagen door de alcohol. Enkele andere minderjarige fans van bingedrinking kwamen aangestrompeld in het soort kleren dat nonkel René best wel hip vond in de jaren '80. Een obees kerstmanpak van minstens veertig jaar verliet de zaal. De Cara's lagen losbandig her en der verspreid en het jeugdige testosteron stond te popelen om hun beschonken zijn te upgraden naar total loss scheefgaan.

Het lijkt misschien gek om een variatie te maken in marginaliteit, maar... dit waren geen 20-plussers die zich op een gecontroleerde manier eens volledig ongebreideld decadent wilden amuseren op een scheef feestje. Dit waren onervaren tieners die de hoeveelheid geconsumeerde alcohol gelijkstelden aan verworven coolnesspunten en een evenredig stijgende reputatie. 

Ze gilden, giechelden, gierden en brulden, niet omdat ze iets wezenlijks te vertellen hadden, maar omdat ze de wereld luidruchtig wilden verzekeren dat ze bestonden en belangrijk waren. Ze kwamen beschonken toe, met de Cara's en de goedkoopst mogelijke flessen witte wijn in de hand, niet omdat ze waardering hadden voor de smaak van alcohol, maar omdat ze hiermee hun maturiteit wilden bewijzen. De avond was voorbestemd om in black-outs, kotspoeltjes en ongeëvenaarde katers te eindigen.

Ik en Hanne kozen het hazenpad en werden in onze vlucht nog nageroepen door drie jongens wiens schaamhaar net was beginnen te groeien, en die daardoor het mannelijke recht hadden verworven ons te imponeren met hun ongeciviliseerde boertigheid.

Teleurgesteld en verbouwereerd door de geziene horror reed de tram ons terug naar ons beginpunt, de wandelende en fietsende hoopjes druktemakende zattigheden snel achter zich latend. Daar stonden we toen voor een minuut stil. 
In die ene minuut was Hanne zo lomp om oogcontact te maken met en te zwaaien naar het overdreven vrolijke en volslagen labiele mannetje, dat dit als het sein opvatte om het koppeltje naast hem met rust te laten om op de tram te proberen komen. Het koppeltje vond dit duidelijk een van de positievere wendingen van hun avond en probeerde hem uit te leggen hoe de deuren open te doen, wat hen op een overdreven gesticulerende 'nee' en een middenvinger van mij kwam te staan, wat mij dan weer een uiterst expressieve 'wij willen hem kwijt'-blik en een middenvinger opleverde, wat resulteerde in unieke middenvingerbewegingspatronen van beide kanten. Uiteindelijk reed de tram door en werd onze woordeloze opluchting in het glas gespiegeld tegen hun woordeloze wanhoop.

We kuierden daarna een beetje doelloos in Antwerpen rond.

Ik wou de avond nog niet opgeven, maar geen van beiden had zin om naar een dancing of café te gaan, het was te koud om buiten te blijven en er was geen enkele jongen in de buurt die mijn interesse wist op te wekken. Ook werden er nog twee opmerkingen naar ons gegooid door mannen die aandacht te kort kwamen, en toen besloten we gezamenlijk dat er iets in de lucht hing wat de stad vijandig en ongastvrij maakte, dat er die dag niets leuks meer te beleven zou zijn en dat we beter af waren thuis.

Toen we de Groenplaats verlieten was ik druk bezig een betoog te houden waarom het gemakkelijker is te bedelen als avonturier dan als werkelijk dakloze of/en vluchteling. Toen ik op reis was, kreeg ik zonder veel moeite te doen eten, drank en slaapplaatsen aangereikt en de schaarse keren dat ik een bedelaar geld heb gegeven, waren het altijd mensen die normaliter wel geld hadden, maar door een jammerlijk toeval enkele euro's te kort kwamen. 
Volgens Hanne komt dit omdat mensen zich oncomfortabel voelen bij het zien van echt leed en ervoor opteren deze smet in hun realiteit te negeren. 
Volgens mij komt dit omdat de tijdelijke avonturiers met hun enthousiaste optimisme beter mensen kunnen overtuigen dan de permanente daklozen die alle hoop verloren zijn.
We waren net klaar met discussiëren toen we over de Meir liepen en door een man aangesproken werden.

Of we wat geld hadden. Hij had een baby van drie maanden en geen gespecialiseerde babyvoeding, een product dat op dit uur (ongeveer half twee) enkel verkocht werd in de apotheek van wacht, in de Brederodestraat, voor 22 euro. Hij stond al zes uur te bedelen en hij had slechts enkele euro's verzameld, en de apotheek zou om drie uur sluiten. Coke had men hem echter wel aangeboden, maar dat moest hij niet hebben, al had hij vroeger veel gedaan. Bedelen op de Groenplaats durfde hij niet, want de kans om door de politie opgepakt te worden was daar veel groter, en dan konden ze hem voor 72 uur opsluiten, wat een langere termijn was dan voor een dronkaard. Aan zijn rugzak had hij een tut gehangen zodat hij, naast de herinnering van de laatst geziene glimlach, altijd iets van zijn kind bij zou hebben.

Hoewel er een zekere radeloosheid over hem hing, blonken zijn ogen, sprak hij met zelfvertrouwen en kwam hij enorm spontaan en oprecht over. We gaven hem beide enkele euro's en hij verhaalde de meest recente episodes uit zijn leven.

De moeder van zijn kind was gestorven in het kraambed, omdat ze bleef bloeden. Zijn neef hield de baby bij hem thuis, maar wou geen geld voorschieten. Hijzelf leefde in een kraakpand. Zijn onderburen in het kraakpand hadden door onhandigheid bij het opwarmen van bepaalde drugs het huis in de fik gezet. Hij was door het raam gesprongen met zijn baby in de armen en was op een politie-auto beland. Het glas zat nog steeds in zijn arm - hier, voel maar eens - en hij had het er tevergeefs proberen uit te snijden.

Hanne nam haar portemonnee er weer bij en gaf hem het resterende bedrag.

"Oh, bedankt, je bent een schat!"
En hij ratelde verder.

Hij - Nathan, aangenaam - had in kraakpanden geleefd in Berlijn en zelfs in Sint-Niklaas. Daar had hij in het koopcentrum in de Swarovski ingebroken, niet om te stelen, maar om zich uit protest tussen de juwelen te vleien en te slapen. Iemand had hem nieuwe schoenen gekocht omdat zijn voeten door zijn oude doorstaken. Hij had de draak van The Neverending Story op zijn penis getatoeëerd, 'cause it's neverending. Boven zijn kont stond dan weer een vlieg, want 'smack it'. Of we single waren?

Terwijl Hanne ontzettend kritisch het gesprek beoordeelde (Ik bied aan om mee te gaan naar de Brederostraat en dat wimpelt hij af? Ik geef hem keiveel geld en in plaats van direct te vertrekken, blijft hij praten? Voor iemand die geen drugs nam stond hij wel ontzettend strak. Op een politie-auto belanden? Door het raam springen en slechts aan één arm wondes hebben?) was ik aan het overwegen hoe aangenaam seks met Nathan zou zijn.

Ja, hij stond tamelijk strak voor een drugsloos persoon - maar misschien had zijn eerdere misbruik gezorgd voor blijvende schade? Ja, hij vertelde wel héél straffe vertalen - maar wie ben ik om zijn woorden in twijfel te trekken? Hij was volledig mijn type, een beetje een bad-boy van het alternatieve 'ik sta buiten de maatschappij'-genre. Zijn ogen openbaarden het soort ziel waardoor ik me gaarne laat verleiden. Hij stond vrijzinnig tegenover seks en kwam waanzinnig chill over. Maar...

Hij moest nog vrij ver wandelen. 
Om eten te halen voor zijn babydochter. 
Terwijl hij ergens in een kraakpand woonde.

En hij had korte benen. Ik probeer nog steeds een methode te ontdekken om erachter te komen hoe aanvaardbaar iemands penis is zonder dat 'ie z'n kleren uitdoet, en al mijn methodes (zijn lichaamslengte, mannelijke kenmerken zoals baardgroei, zware stem en brede schouders, hoe groot de klik tussen ons is...) blijven falen, maar korte benen, nee, dat betrouw ik helemaal niet. 

Mocht ik hem ontmoet hebben op zijn kraakpand, dan had ik niet getwijfeld. Maar als ik moet kiezen tussen de knusse zekerheid die mijn beste vriendin me te bieden had en in het donker meegaan met een interessant, maar niet volledig koosjere onbekende naar godknowswhere?

(Ik had echt wel door dat ge aan het twijfelen waart, maar ik had u niet met hem laten vertrekken. Nummers uitwisselen, oké, maar hoe die gast nu bezig was... Er was iets loos aan hem. Die had sowieso heel weinig rekening met u gehouden en ik had u niet met hem mee laten gaan.)

Hanne kroop bij haar sjoe in bed, ik nestelde me knusjes in de zetel en voelde me weer gelukkig, zelfs al wil de fwb waar ik de beste seks mee heb mogelijk een relatie opstarten met een meisje dat vooralsnog niets van mijn bestaan afweet - ja, ze hebben al seks - en zit de fwb waar ik de meeste gevoelens voor koester zo hard met zijn ziel in de knoop dat hij weinig rekening kan houden met de mijne. Ach.

Masturberen terwijl je intens door een kat aangekeken wordt is ook charmant.

vrijdag 2 december 2016

Requiem voor een grootvader

Twee jaar geleden is mijn grootvader rond deze tijd overleden. De vader van mijn vader stierf toen ik een leeftijd had waarvan enkel getraumatiseerde mensen als Jeroen Brouwers herinneringen aan kunnen koesteren, met als gevolg dat ik maar één grootvader actief heb gekend, en dat was pépé.

Hij was een zachtaardig man, met van die typisch goedlachse 'leuke opa'-ogen. Als vader schijnt hij in een voor mij van context gespeende woedeaanval een van mijn moeders poppen in het haardvuur te hebben gekeild - hét voorbeeld dat mijn moeder steeds weet aan te halen als ik haar ter verantwoording probeer te roepen van mijn eigenste jeugdtrauma's - maar zelf heb ik hem nooit boos geweten. 
Hij was zwijgzaam, dus zijn gevoelens waren sowieso moeilijk te peilen, maar hij leek continu in een staat van kalme, innerlijke vrede te leven. Nooit voelde hij de drang om het laatste, luidste woord te hebben. Ik ben ervan overtuigd dat hij over alles een mening had, een zorgzaam opgebouwde en zeer uitgesproken mening, maar dat de zin en de last van het discussiëren hem al lang geleden vergaan was. Als mijn oma, mijn moeke, hem al eens lichtjes onder zijn voeten gaf, glimlachte hij braafjes, hoogstens replicerend met een kwinkslag.

Ik heb hem gekend toen hij nog gewoon kon wandelen en we af en toe op zondag, na de mis, naar Antwerpen treinden om in de Pizza Hut te eten - waar hij standaard voor het buffet, een cola en een koffie koos. Naast het klassieke cavaatje op oudejaarsavond heb ik hem zelden iets anders zien drinken. Een zoetekauw, dat was hij, en hij bleef altijd als een kind genieten van chocolade, Chocotoffs, een paar bolletjes vanille-ijs en, zijn favoriet, pepermunt. Volgens mij verliet hij nooit het huis zonder een rolletje Mentos (en een pak roltabak) in zijn broekzak. En als hij een Mentosje nam, wenkte hij alle kleinkinderen bij hem en stak hen knipogend een snoepje toe, als een zichtbaar verbond der zoetekauwen.
Hij en moeke woonden groot toen. Twee verdiepingen, een gazon omringd met struiken en bekroond met een boom, eindigend op een moestuintje waaruit hij elk jaar wat rabarber voor ons opdiste, terwijl ik zelf stiekem steeds wat bieslook stal, in de grond wroette naar vergeten aardappelen en in de regenton muggenbaby's probeerde dood te slaan.

De teloorgang van zijn wandel was het eerste teken van zijn ouderdom. Halsstarrig weigerde hij het gebruik van een wandelstok, tot het punt waarop dat eigenlijk zelfs geen soelaas meer bracht. Het huis werd opeens te groot, maar het was voornamelijk de zorg voor de tuin die hen dwong hun oude dag op een andere plaats te slijten. 
Hun woonst werd verkocht, de struiken uit de grond getrokken en de boom verdween ook op een illegale manier - het laatste restje van mijn kindertijd is daar gebleven en zweeft waarschijnlijk nog steeds bij de rabarbers, meikevers en de lapjeskat van de buren rond. 
Hierna hebben ze een jaar in een mooie, chique loft gewoond, maar ik heb me daar nooit zo geamuseerd en thuis gevoeld als in de woning die ik voor eeuwig met hem zal associëren. Uiteindelijk werden ze gedwongen wederom te verhuizen, en hoewel hun nieuwe verblijf modern, comfortabel en mooi was, begon pépé toen de controle van zijn lichaam te verliezen.

Hij kon niet meer gewoon stappen. Hij schuifelde eerder, alle kracht die in zijn lichaam restte gebruikend om zijn ontwortelde voeten een schamele decimeter naar voor te krijgen. Van een rolstoel moest hij niet weten, maar nadat moeke een paar keer bezorgd gebeld had omdat ze ergens op een bankje vast zaten, omdat hij letterlijk geen voet verzetten kon, wist hij daar uiteindelijk ook niet aan te ontkomen. 
Volgens mij begon hij zich toen pas heel oud te voelen, met een brein dat zo vlot was als een politicus voor de verkiezingen en een lichaam dat het verdomde mee te werken... Tot ook zijn geest mistig begon te worden. Hij vergat namen. Hij wist niet meer waar hij was. Hij haalde herinneringen door elkaar. Hij wist niet meer een volwassen zoon abrupt te hebben kwijtgespeeld.
Soms probeerde hij nog iets van zijn verloren zelfstandigheid te recupereren, trachtend een fysieke inspanning te leveren waar zijn lichaam niet meer toe in staat was. En dan viel hij op de grond, wachtend tot moeke hem vond en voldoende mankracht bijeen gebeld had om hem op te tillen en terug in zijn rolstoelkerker te plaatsen, want daar had zijzelf helemaal geen kracht meer voor. Er kwamen verpleegsters en kinesisten. Iets redden konden ze niet, wel het noodzakelijke kwaad zo lang mogelijk vertragen. 

Pépé sliep de laatste maanden van zijn leven alleen. De slaapkamer was een verdieping hoger genesteld en zonder een of andere vikingtraplaft geraakte hij nooit naar boven. Er werd een eenpersoonsbed beneden geplaatst, dat later nog voorzien zou worden van gespen om mijn opa in vast te snoeren. Zodat hij er niet uit zou vallen. Zodat moeke veilig was voor zijn onvoorspelbare karakter, dat nu zowaar soms agressief begon te worden. Hij schold mijn oma de huid vol, voor de eerste keer in hun huwelijk, en hij probeerde haar ook te slaan. Nadien herinnerde hij ook hier niets meer van.

Soms lag hij 's nachts te huilen en te roepen. Naar haar. Naar zijn eigen moeder.

Mijn goedgehumeurde en immer vrolijke zoetebek werd in een rusthuis geplaatst. Vierde verdieping. Afdeling dementie. En ze deden hun best, de verplegers en verpleegsters, maar de bewoners stootten me af, met hun gekrijs, gebrabbel, geschreeuw, gekwijl en geschijt. 
Een vrouw die ooit iemand was geweest kon nu niets anders meer dan 'Namnam' zeggen, wat dan ook haar bijnaam werd onder bezoekers en personeel. Er waren bewoners die nog minder konden dan zij. En mijn opa, die zat daar maar in zijn rolstoel, wachtend zonder tijdsbesef en zonder doel. Moeke kwam elke dag, mijn moeder enkele keren per week en ik vermeed het als de pest. Niemand had me ooit kunnen voorbereiden op hoe het zou zijn om helemaal alleen te praten tegen het vertrouwde, maar oh zo uitgemergelde lichaam van mijn opa, die op dat moment misschien niet eens meer wist wat de correlatie tussen ons beiden was en wiens gebrekkige herinneringen hem nu dwongen tot nog meer zwijgzaamheid, die me met tranen in de ogen aankeek terwijl ik hem hakkelig wat onzinnige anekdotes van mijn leven toevertrouwde en hem de stamboom van de familie aanreikte die ik voor hem had gemaakt, alle voor hem ooit zo vertrouwde gezichten aanwijzend, terwijl de zaal stonk naar urine en roemloze ouderdom en er rondom ons door nog verganere lichamen luidruchtig in de pamper werd gekakt, geschreeuwd, gevloekt en genamnamd. Onwezenlijk.

Hij kon geen Chocotoff noch Mentos meer eten, want hij zou zich erin verslikken. Chocola en ijs ging nog wel, maar dan wel enkel pietepeuterige babyporties. Moeke vertikte het om de tabak te kopen die zijn falende longen nog harder zou belasten, dus naast zijn persoonlijkheid en menselijke eer was hij ook het genot ontlopen. En zo stierf hij, in een bed dat niet het zijne was en in een deserterend lichaam vol doorligwonden.

In de oorlog werd hij als kind bijna doodgeschoten omdat hij een aardappel stal.

Zijn lijk werd, zoals het in onze familie blijkbaar de gewoonte is, opgebaard. Ik ging tegen mijn goesting erheen en wonderbaarlijk, de atomen die daar in de kist lagen leken zelfs nog minder op mijn opa dan ervoor al het geval was geweest. Een slecht geboetseerd wassen beeld waar ik me niet verbonden mee voelde, meer bleef er niet over.

De afscheidsplechtigheid liep uit, maar er werden veel foto's van hem getoond die ik nog nooit gezien had. Hij als kleine jongen naast een onbekende volwassen man waar ik blijkbaar genetisch materiaal mee deel. Zijn broers en zussen. Hij en moeke in een ver verleden van sepia. Hij als volwassen man. En dan het aspect van zijn leven waar ik affiniteit mee had: hij als grootvader, netjes in een donkergrijs pak gestoken, met grijzend of wit haar, lachend naar de persoon die achter de lens stond. 

Ik had ook een tekst geschreven. Uiteraard.

Dag pépé en vrienden van. Er werd me gevraagd om als jongste kleinkind een tekstje te schrijven en het eerste waar ik aan dacht waren de feiten uit jouw leven: Wat weet ik van jou als mens? Je jeugd, de Tweede Wereldoorlog, je job, je filosofieën – zaken waarover jouw kinderen daarjuist gebabbeld hebben - en ik moet toegeven dat ik daar als kleinkind heel weinig van afweet en wat ik weet, heb jij me niet verteld, dat hebben anderen gedaan. Ik denk, pépé, dat jij over alles een uitgesproken mening moet hebben gehad, maar je liep er niet mee te koop. Tijdens lichte discussies op feestjes bij ons thuis, zat je daar, in de gemakkelijke zetel, van je koffie of cola te nippen, met in je mond de nasmaak van het taartje of chocolaatje dat je net naar binnen had gespeeld, want je was net zoals ik een enorme zoetekauw, en je luisterde naar de mensen, wat ze zeiden, actie, reactie, ondertussen rustig een safke rollen – ik zie het u nog zo doen: papier openen, tabak erin strooien, papier rollen, je lippen even als prit gebruiken, voila, perfecte sigaret - en dan opeens hoorden we dus vanuit jouw hoek één zin die de discussie in werd geworpen. Eén zin die jouw mening compleet omvatte. En dan stond je op om in de tuin je sigaretje te roken, de discussie latend voor wat het was. 

Als kind vond ik dat geweldig, met zo weinig woorden me toch veilig en geborgen laten voelen. Jij bent een van de weinige volwassen uit mijn leven geweest die me nooit heeft gekwetst, die nooit over onbenulligheden gezeurd heeft, nooit heeft geroepen en die me zelfs nooit heeft gestraft – als ik al eens berispt moest worden, dan nam moeke dat wel voor haar rekening. Jij was degene die de berisping zou milderen, met een knipoog en een mentoske. 

Als volwassene, toen jij in het rusthuis zat, kon ik niet zo goed met die stilte overweg. Het was niet dezelfde, gezellige stilte van vroeger. Het was een gedwongen stilte van een man die ergens zat waar hij niet wou zijn – een zottekot, zo noemde je het rusthuis, en ik geef u gelijk -, een man die aan het aftakelen was en het wist. Je had vlagen van dementie, maar je hebt alles beter beseft dan we hadden gewild. En dan zat ik daar, onwennig, niet wetend wat te zeggen, met enkele ideeën om te doen, maar de stamboom van de familie is het enige wat ik uitgevoerd heb en ik denk, hoop, dat je er iets aan gehad hebt. 

Jouw laatste jaren waren niet de beste uit je leven en ik heb besloten deze dan ook ver weg te bergen in mijn geheugen. Voor mij zal je altijd wonen in de Lucasstraat en je zult wandelen, misschien met een stok, maar je wandelt zelfstandig en je haalt een pattat uit de grond, maakt een babbeltje met de buren, bakt frietjes, rolt sigaretten, eet ijsjes mèt aardbeien erbij, met liefde door moeke gemaakt, bekijkt samen met ons weeral die ene video van de troetelbeertjes en de smurfen en je wandelt, wandelt en fietst, je fietst naar de kerk en daar zal ik zijn, met scheve tanden en vlechtjes in het haar en je lacht naar me en knipoogt en je haalt uit je broekzak het rolletje mentosmuntjes. Eentje voor mij, eentje voor mijn zus en eentje voor jezelf.

Moeke heeft me na zijn dood nog wat van de resterende rolletjes Mentos gegeven. Alles heb ik opgesmikkeld, maar als je goed zoekt in mijn archeologische site zul je nog ergens een rolletje vinden waarin één Mentosje bewaard is gebleven.

Nu ga ik nog even de stad in, op zoek naar menselijk contact en iemand die mijn gebroken sigaret kan omrollen tot een nieuwe.

Slaapwel.

donderdag 10 november 2016

Tijd om de rugzak in de tuin te gooien

"Do you have a place you can go to?"
Ik zoog sissend een teug Belgische lucht naar binnen en dacht na.
"Well... I'm not sure. My kinda ex- not ex-boyfriend lives there, buuuuuut... he's an asshole and I tend to give him more human credibility than he deserves."

...

Drie dagen geleden vertrok ik met de eerste ferry uit Samothraki, waar ik een ritje naar Thessaloniki wist te bemachtigen. Daar aangekomen bezocht ik onmiddellijk mijn vriendin, het meisje dat me normaliter de dag voordien het eiland uitgesmokkeld zou hebben op de achterbank van haar auto. Ze herenigde me met mijn geitenschedels, zette, niet hoofdzakelijkerwijs bij mij, piercings en tatoeages en nodigde me uit te blijven slapen. Een beetje rust voor de race beginnen zou.

's Middags verliet ik Griekenland en spurtte door Macedonië, Servië (waar we friggin' vier uur moesten wachten bij de grenscontrole, terwijl we de douanepostjes al konden zien. Ik heb deze tijd benut om te slapen, Thor om de grens te bekogelen met fikse regenbuien, knallende donderscheten en hemelverlichtende bliksems), Hongarije, Oostenrijk, back to Brno.
Een etmaal na mijn vertrek liep ik de vier etages omhoog, hopend mijn vrienden thuis aan te treffen. Een van hen, de jongen die quite obvious met mij vrijen wou, was inderdaad aanwezig, maar de ander, de jongen met wie ik effectief gevreeën had (en nog goed ook), had mij blijkbaar ter inspiratie genomen en was naar Zwitserland vertrokken. 

Bummer.

Ik monsterde de jongen en vroeg me af of er enig plezier te behalen viel mocht ik barmhartige Samaritaan spelen. We spraken af om nog eens absint te drinken, straks, als ik een beetje uitgerust was. Ik vlijde me neer op de zetel, zag die blik in zijn ogen, glimlachte, viel in slaap en werd zo'n zeven uur later wakker in een donker en eenzaam huis. Natuurlijk hadden de jongens mij niet nodig om te pintelieren. Ze kwamen een half uurtje daarna toe, lichtjes beschonken en uitermate vrolijk. Ik deelde in hun vrolijkheid en nicotine en even later sliepen we weer in. De ochtend erop was mijn vriend al naar zijn werk vertrokken.

Mijn reis werd verdergezet in hetzelfde tankstation dat me enkele weken ervoor in Wenen had gebracht. Nu reed ik door Tsjechië, motherfuckingbigass Duitsland en Nederland, naar België toe - ditmaal zonder een chauffeur tijdens het rijden een tsjoek op z'n bakkes te hoeven verkopen, thank god. 

Het was duidelijk dat mijn huidige chauffeur mij ook zag zitten, maar, ondanks zijn vrij aimabele karakter, werd hij te oud bevonden om erop in te gaan. Hij reed naar Leuven en het was de bedoeling dat hij me op een tankstation zou dumpen voor we de afslag naar Antwerpen bereikten. Dit plan faalde jammerlijk toen die afslag opeens opdook en we hem rechts lieten liggen - en dat terwijl de gps zo fancy was dat je maar op een knopje moest drukken om alle komende tankstations te zien verschijnen. Tiens tiens. 

Mijn chauffeur wou me in Leuven afzetten, een treinkaartje voor me kopen, een hotel voor me betalen en me waarschijnlijk het liefst van al in zijn bed afzetten. Ik zat verveeld met de situatie.

Wekenlang had ik bij vreemden geslapen, in hun bed of zetel, op de grond, in een tent, op een strand, in een park... en nu leek mijn limiet te zijn bereikt. In mijn eigen bed of bij vrienden, niets meer, niets minder. Met de trein geraakte ik op dit uur nooit ofte nimmer thuis. Liften naar A'pen leek me een onnodig gecompliceerde bedoening - iets waar ik veel te afgepeigerd voor was. Hierdoor viel echter mijn eigen huis en dat van schattepatat Hanne weg.
In Leuven had je de Bereklauw, maar ik had er eventjes genoeg van om met hippies joints te roken en in geïmproviseerde huizen te slapen. Helena betrok daar ook haar kot, maar studenten hebben de neiging om in de grote vakantie terug naar hun ouderlijk nestje te vliegen. Dat van haar was in Mechelen gebouwd en hoe the fuck moest ik daar geraken met mijn huidige luiheid? 

We passeerden een groot, reflecterend blauw verkeersbord waar de afslag richting Leuven vergezeld ging met Brussel.

Ik zuchtte.

Als je dit, dat en deze opnieuw leest, is het misschien een terechte vraag WHY THE FUCK ik er nog maar aan dacht om bij Rex aan te bellen, de tot kennis gedegradeerde hartstocht die geen empathie, begrip, geduld noch elementaire beleefdheid voor mij over had. In de paar weken waarin we intensief gedatet hebben en ik de best mogelijke versie van mezelf probeerde te spelen, besloot hij dat systematisch psychologisch geweld in een door hem gevoerde emotional warfare veel cooler was.

De laatste keer dat ik hem zag, was de dag na mijn overdosis. Hij haalde me met zijn moeder op van het ziekenhuis zodat ik op eigen tempo kon bekomen bij een vriend van hem, en zowel zijn moeder als zijn vriend hebben zich een paar keer serieus kwaad moeten maken tegen hem opdat hij zich iets menselijker tegenover mij zou opstellen - zonder succes.
In de paar uurtjes dat ik op de zetel lag uit te hallucineren heeft hij mijn achterlijkheid een dozijn keer uitgedrukt, verweet hij me meerdere malen het feestje volledig verpest te hebben, schoof de straf en de toorn die de organisator (die ook degene was geweest die mij ondoordacht een volledig zakje ket in de onervaren handen had gestopt) van zijn ouders ontving in mijn schoenen en verklaarde drie keer hoe goed het was dat ik niet was gestorven, omdat ik die arme jongen anders nog belast zou hebben met een heleboel administratieve shit.

Ik liet het allemaal maar over me heen gaan. Voor het leeuwendeel kon ik mezelf ook vinden in zijn rant, alleen had ik er op dat moment echt geen behoefte aan. Wie ooit een fikse kater heeft gehad, erkent waarschijnlijk wel het nut van een bezorgd preekje betreffende alcohol, maar dan wel op een andere tijd dan wanneer het maagzuur naar uw kotsmisselijke keel kruipt en men glazen flessen in uw hoofd kapot slaat. Beginnen spreken over de valse borsten van het meisje waar je die nacht mee geslapen hebt, is ook een redelijke no-go.

"Waarom?", vroeg hij.
"Ik ben rationeel", zei hij.
Sure. De (emotionele) intelligentie van een zoetwatermossel die in de Atlantische Oceaan beland is, that is. 

Dus WHY THE FUCK dacht ik erover hem te storen met mijn aanwezigheid?

Ah. Wel, hij heeft me die hele middag, as usual, verbaal door het slijk gehaald en al zijn negatieve energie op mij geprojecteerd, doch, toen ik vertrok en iedereen ter afscheid een knuffel gaf, veranderde hij. Zijn haat glipte even weg, wat te merken viel aan zijn zachtere blik en houding. De knuffel die we uitwisselden was intens en oprecht. "Wees voorzichtig", zei hij gemeend bezorgd.
Ik had me toen aan hem willen vastklampen, aan die jongen op wie ik verliefd was geworden, de integere, grappige, intellectuele knapperd die mij met de vereiste zachtaardigheid en liefde behandelde en waar geen grammetje klootzakkerigheid in te bespeuren viel. In plaats daarvan grapte ik 'Altijd, je kent me toch?' en wandelde vermoeid weg. De dag erna stuurde hij geheel onverwachts een sms'je om te vragen hoe het met me ging.

Mixed signals.

Mij de hele tijd woordelijk uitschijten, beschimpen, vernederen en kleineren. Bezorgdheid tonen. Tegen me schreeuwen omdat ik hem teleurstel. Me knuffelen en me bezweren dat hij voorzichtiger zal zijn. Me continu het gevoel geven dat alles, alles wat ik doe of nalaat een teken is van vergevorderde intellectuele ontbinding in mijn begaafde brein. Vragen of ik een nacht langer bij hem wil blijven. Me negeren. Me vastgrijpen en kussen.

Mixed feelings.

Hij walgt en houdt van mij.
Ik hou van hem.
Tja.

...

"Can you stay with him?"
"I don't know. I... Honestly, he's so fucking unpredictable. He might say yes. He might say no."
"Soooo....?"
"...I'll call him and find out. Though I need to find my phone first... I'm pretty sure I didn't actually lose it, but I haven't seen it in days. It's probably somewhere in my backpack. Or in this bag. Yeah, probably this bag. You know this is completely filled with skulls? It's probably beneath them."

Bij het volgende tankstation stopten we en, terwijl ik de voor mij gekochte Jupilers opdronk, haalde ik mijn geitenschedels uit de zak - tot amusement van de chauffeur - en wist er mijn gsm uit te grabbelen. Mijn vader had me nog eens vermanend ge-sms't, of ik hen alwéér negeerde and so on en ik vroeg me af why the fuck de wereld me niet met rust kon laten.

Ik belde Rex en botste ogenblikkelijk op de voicemail. Shit. Hoewel ik wist dat zijn gsm afstond, belde ik plichtmatig nog een keer. Verdomme. Dit maakte de boel nodeloos risicovol.

"And?"
"I can't reach him."
"So, what are you going to do?"
"Well, I can try it and risk having no sleeping place at all, or I can try to hitchhike back home."
"I can always pay for a hotel room or..."
"No. Fuck that shit."
"..."
"I'm taking the risk. Bring me to Brussels."

Op eenzame momenten had ik mezelf het pleziertje gegund te mijmeren over een hereniging met Rex die leuk zou eindigen. De maanden in afzondering hadden de gemoederen bedaard, de herinneringen verzacht en hij zou effectief blij zijn me te zien - en vanuit die vreugde zouden we dan verder kunnen werken aan iets met meer betekenis.
Uiteraard wist ik perfect dat ik mijn eigen romantische, vergevingsgezinde persoonlijkheid op hem projecteerde. Dat ik zijn emotionele labiliteit en de daarmee hangende onvoorspelbaarheid onderschatte. Dat ik hem meer rationaliteit en humaniteit toekende dan hij verdiend had. In ieder geval, we gingen de fantasie eens toetsen aan de realiteit. Spannend.

Ik stond voor zijn deur, twijfelde even, verzond drie mentale pleasejes naar niemand in het bijzonder en drukte gespannen op de deurbel. De deur ging niet open en er klonk geen gestommel op de trap. Nerveuzer belde ik nog eens. Toen ik voor de derde keer het hele huis liet rinkelen werd er ergens een "Wat?" op mij geworpen. Hij stond op het balkon. Dit had ik niet verwacht, maar ik wist me toch bijeen te schrapen.
"Hey, euhm, Rex, mag ik bij u blijven slapen?"
"Wat?! Nee!"
Toen wist ik al dat mijn hoop volledig verpletterd mocht worden. Ik probeerde hem echter nog te overtuigen. Dat ik geen slaapplaats had. Dat ik onverwachts hier was beland. Dat ik had proberen bellen. Dat ik gerust op zijn zetel wou slapen. Dat ik morgen direct weg was.
Het baatte niet. Terwijl hij onverbiddelijk een litanie afstak over de nachtrust van werkende mensen, zei ik kalm dat het goed was, dat ik wel iets zou zoeken en ik stapte weg, hem met zijn bittere woorden achterlatend.

Wat moest ik nu? Fucking hel. Op drie dagen tijd geraakte ik van Samothraki tot in België en hier werd me dan de deur gewezen? Fucking aars.

Quasi onmiddellijk dacht ik terug aan die andere keer dat ik veiligheid zocht in Brussel. Verlegen en lichtelijk beschaamd belde ik om middernacht aan bij de vrouw die mij één keer had gezien in haar leven en me die ene keer met meer respect behandeld had dan Rex ooit had gedaan. Geschrokken, haar naaktheid bedekkend met een handdoek, kwam ook zij op het balkon checken wie de stoorzender was. Ze liet me onmiddellijk binnen, zette thee voor me, maakte een bed op en liet me bij haar overnachten zonder dat ik ook maar enige overredingskracht had hoeven gebruiken.

's Ochtends ejaculeerde de zon te veel licht in mijn ogen, waardoor het ontwaken uiteraard pijn deed. Daarbovenop voelde ik me volledig uitgeteld, leeggezogen en uitgeput. Ik probeerde het licht te ontwijken door me onder een kussen te verschansen, wat me dan weer koortsig leek te maken. Ik frutselde een beetje aan het raamkozijn, proberend meer lucht naar binnen te lokken, maar ik had zo weinig (wils)kracht dat ik dat raam nog geen centimeter wist te verschuiven.
Naast de koortsgevoelens bestierf ik het van een hoofdpijn waartegen mijn migraine een lachertje was. Had ik een kater? Volgens andermans beschrijvingen leek het er wel héél hard op... alleen had ik slechts twee pintjes opgedronken de avond ervoor. Koud en warm en bibberend en zwetend en constant mokerslagen opvangend met mijn hoofd nam ik mijn gsm erbij om het uur te checken. Een sms'je van Rex.

'Fucking kutwijf'

Zo, dacht ik onaangedaan en ik vlijde me terug onder het deken, dat ik onmiddellijk weer van me af wierp. Mijn lichaam was te moe, te ziek en de laatste dagen te veel belast om zich druk te maken over zoiets triviaals. Ergens was het idee hem gekloot te hebben, zij het ongewild, best wel bevredigend. Een lichte vorm van compensatie voor de shit die hij mij geleverd had.

Er werd me een kommetje versgebakken, dikbeboterde popcorn voorgeschoteld en ik, die stierf van de honger, nam twee handjes vol en at ze smakelijk op. Waarna ik me tot braken toe misselijk voelde. Rusteloos ging ik het terras op om mijn maag en koorts te kalmeren en hoewel ik beduidend afkoelde, bleef het vuur me vanbinnen verzengen. Ik voelde me zo ellendig dat ik mijn principes opzij schoof en om een pijnstiller smeekte - wie me kent weet dat het dan serieus mis is.
'Passeren jullie vandaag toevallig Brussel?' sms'te ik mijn ouders, die me vervolgens kwamen oppikken. Mijn koorts en hoofdpijn verdwenen geleidelijk, maar zelfs de portie versgebakken frietjes kon niet verhinderen dat ik me geradbraakt bleef voelen.

Thuis, in mijn huis, met mijn hamster, mijn havermout, mijn zetel, mijn laptop, mijn douche, mijn boeken en mijn bed, thuis dus, goot ik de thee weg die al twee maanden in mijn theepot aan het bederven was en vereffende op Facebook de rekening die Rex geopend had. We verweten, kibbelden, braken af en hij moest per se het laatste woord hebben voor hij me blokkeerde:


Ik zou willen zeggen dat dit het dan was, maar in werkelijkheid vliegt hij nog steeds af en toe doorheen mijn gedachten, veelal op momenten dat het echt niet gepast is. Als ik op de borst en in de armen lig van een knappe, intelligente, niet emotioneel-geretardeerde jongeheer, bijvoorbeeld. En dan zucht ik, speel het herinneringsdvd'tje opnieuw af, goed wetende dat ik de gedachten toch niet kan ontlopen, vloek en zucht en treur en ik voel me er gegarandeerd niet gelukkiger door.

Wees eerlijk, Hanne, het is toch niet normaal dat hij boos wordt omdat ik hem vraag in welk kastje ik het keukengerei moet zetten?
Het is toch niet normaal dat hij me altijd afsnauwt?
Dat zijn moeder het voor me moet opnemen? - Rex, doe normaal. Gedraag u eens. Er is toch niets mis met dat jasje? Dat is wel een mooie combinatie. Wat weet gij daar nu van? Zeg zoiets niet.
Dat zijn vrienden hem al lachend onder zijn voeten geven? - Zoiets zegt ge toch niet, Rex. Gedraagt u eens. Zo behandelt ge dat meiske toch niet? Rèèèèèèèèèèèx. Dat meiske heeft niets verkeerd gedaan. Hou u in. Doe normaal. Tegen Rex moet ge niet lief doen, ge moet hem af en toe eens op zijn gezicht meppen, dan luistert hij tenminste.
(Een van zijn vrienden vond het 'sjiek' hoe ik met Rex omging, ergo, hem af en toe eens op zijn plaats wist te zetten met mijn weerwoord. Rex zelf vond niets sjiek aan mij.)
Dat hij me negeert als ik vraag hoe zijn dag was?
Dat hij zelden naar de mijne polst?
Dat hij grapjes van mij negeert, om diezelfde grapjes soms te recycleren tegenover zijn vrienden?
Dat ik hem uitdrukkelijk moet laten beloven niet boos te worden als we gaan magiccen en dat hij toch altijd boos wordt?
Dat ik niet meer durf te spreken noch vragen durf te stellen omdat hij sowieso 1) zal zuchten, 2) me negeren, 3) me aankijken alsof ik hem vraag wie Hitler was of 4) zelfs ronduit zal vragen of ik nu echt achterlijk ben?
Dat ik bang ben wanneer hij me iets vraagt, omdat dit hem de gelegenheid geeft me weer te kunnen beschimpen?
Dat ik me onzichtbaar probeer te maken?
Dat hij me negeert of weglacht als ik vertel dat hij me heeft gekwetst?
Dat ik elk weekend moet huilen?
Dat hij de hele dag geërgerd en gefrustreerd rondloopt en niet in staat is de reden te vertellen?
Dat hij, zonder te polsen of het wel oké is, me zo hard bijt dat ik moet gillen van de pijn en twee weken met een blauw-geel-rode plek rondloop?
Dat hij me constant verwijt dat ik te traag ben? Of te snel? Of te actief? Of te lui?
Dat ik hem drie keer vraag de pijn uit mijn nek te willen masseren en dat hij steevast weigert?
Dat hij me een kwartier lang berispt heeft omdat mijn jasje blijkbaar niet bij mijn outfit paste? - Wat hebt gij nu aan? Dat trekt nu toch op niets? Dat roos met dat... Bah. Dit is echt lelijk. Dat ge dat niet ziet. Eeiih. Doet dit eens aan, want zo gaat ge niet met mij buiten. Nee, dat trekt helemaal op niets. Bah. Ik snap echt niet dat ge dit hebt kunnen combineren. Laat dat jasje maar thuis straks. Kijk, mijn beste vriendin, degene die ik 'niet zo intelligent' heb genoemd, is tenminste wel mooi gekleed, da's wel een deftige combinatie. Dat van u trekt op niets.
Dat hij het kittentje van zijn moeder veel te bruut opzij schuift met zijn voet, omdat hij boos is dat zijn hond dood is?
Dat hij me zonder deftige voorbereiding drugs in handen stopt en alle schuld op mij schuift als het misloopt?
Dat hij altijd alle schuld op mij schuift? - Gij haalt het slechte in mij naar boven. Als gij die vraag deftig beantwoord had, was dit nooit gebeurd. Had ge niet kunnen zien dat ik op een gehandicaptenplaats stond? Ik moet u echt opnieuw opvoeden.
Dat hij niets positiefs in me ziet?
Dat hij geen enkel compliment meer geeft?
Dat hij me overdag nauwelijks kust of knuffelt?
Dat ik het gevoel krijg dat ik hem niet mag kussen of knuffelen?
Dat, als iemand vraagt wie ik ben, hij dat steevast negeert of 'niemand' antwoordt?
Dat hij onze relatie en alle communicatie zo kordaat afbreekt?
Dat hij niets met me te maken wil hebben, maar toch elke gelegenheid zal aangrijpen om me te proberen kwetsen?

Terwijl ik met de glimlach om de lippen zijn met wijn vermengd maagzuur opruimde met keukenpapier zo dun dat zijn kots op mijn vingers sijpelde, gooide hij de lege wc-rol achteloos op mijn badkamergrond en vertikte het om even de wc-borstel ter hand te nemen om zijn nijlpaardenresidu uit het toilet te vegen. Een mooie metafoor voor whatever the fuck wij gehad hebben.

Dat ik nog steeds aan hem denk?

Fuck you.

dinsdag 25 oktober 2016

Samothraki - waar de tijd zo even stil bleef staan

"Beseft gij wel dat ge internationaal geseind staat?"

De ferry is nog maar enkele minuten vertrokken en, terwijl ik ongemakkelijk gebogen over de zetel hang om mijn gsm-lader te dwingen dik tegen z'n goesting in het stopcontact te blijven steken, hoor ik voor het eerst in zes weken tijd mijn vaders stem. Mijn verblijf in Samothraki is uitgelopen, en ferm ook. Een week had ik mezelf gegund, maximaal, doch mijn verblijfsduur werd ongewild zo veelvuldig verlengd tot 'ie verdubbeld was. 

Aansluiting gevonden bij een vriendengroepje dat me stimuleerde langer te blijven. Met enkelen uit dat groepje de deal gesloten dat ze me, verstopt in hun auto, de ferry in, het eiland uit zouden smokkelen. De dag van vertrek die steeds door hen uitgesteld werd en zij die uiteindelijk zonder mij zouden vertrekken, want 'Samothraki'.

Samothraki is een begrip. Het is een eiland waar hippies high kunnen worden van de sterren alleen en, continue sigaretten en joints rollend, claimen geen drugs meer nodig te hebben. Geen enkele pragmatisch ingerichte dagindeling kan in de heersende mentaliteit overleven, wat het opstellen ervan reduceert tot een nutteloze vrijetijdsbesteding, een gedachte die je even overvalt in je hangmat en dan weer als sigarettenrook vervliegt. Slechts weinigen kennen hun datum van vertrek en nog minder houden zich daar effectief aan vast. Dit eiland is er eentje van onzekerheden, go with the flow, zien wat de dag brengt, carpe diem en andere wazigheden. Het verbaasde me bijgevolg niet zo hard dat mijn vrienden gisteren niet op het afgesproken uur bij de haven waren. 

Ik had een rotavond vol intermenselijke teleurstellingen achter de rug - het was maar een schrale troost dat mijn bed die nacht uit de marmeren vloer van een antieke tempel bestond. Kotsbeu, ik was alles en iedereen kotsbeu.

Het eeuwige gewauwel en de nauwelijks verholen trots over alle drugs die men ooit genomen had. 
Het woord 'leider' niet kunnen verteren omdat dat zelfstandig naamwoordje insinueert dat er een sociale rangorde tussen de mensen is, boo fucking hoo, maar tegelijkertijd slordig verborgen superioriteitsgevoelens koesteren ten opzichte van de 'Babylon people' aka 'Jan van achter de hoek met zijn pet verkeerd op het hoofd'. 
De Samothrakische laksheid die ervoor zorgt dat je je helemaal geen zorgen maakt als je een dronken deeltje van je groepje 's nachts verliest, de Samothrakische luiheid die verhindert dat je hen zoeken zal en de Samothrakische onverschilligheid als je hen na enkele uren toevallig gevonden hebt. 

Ik had het mentale stadium bereikt waar iedereen gaarne verrotten mocht. 
Kots. Beu.

Om zes uur 's ochtends rolde ik mijn slaapzak op, nam afscheid van de mensen waar ik nog enige sympathie voor voelde en negeerde hen waar ik een paar dagen ervoor nog een fikse portie genegenheid voor bewaard had. Met mijn ziel onder mijn armen gekneld vertrok ik vermoeid naar de haven, waar ik rond zeven uur aankwam. Vier uur voor afspraak. Chill. Ik sleepte het wrak waarin mijn teleurstelling huisde naar het strand en liet het daar vallen op een stukje waar de zon het al kon bereiken. Slapen kon ik niet meer, maar ik was moe en had tijd te doden.
Om tien uur 's ochtends liet ik een inheemse dame een sms'je sturen naar mijn vrienden. Mijn gsm was al enkele dagen plat en ik had de fut en de punctualiteit gemist hem in een van de schaarse cafeetjes op te laden (Samothraki!), waardoor ik nu volledig onbereikbaar was. Ik kuierde door het kleine winkelstraatje en zette me neer bij het meest duidelijke herkenningspunt dat ik vond: een standbeeld in het midden van het plein. Daar wachtte ik de dag verder af.
Om elf uur wachtte ik daar nog steeds. Dit was ons afgesproken uur geweest en met een lichte ongerustheid wist ik met andermans sms'en eindelijk mijn vrienden te bereiken. Ze hadden vertraging opgelopen (Samothraki!), waren onderweg, zouden binnen vijftien minuten arriveren en ik moest bij de minimarket - bij dit deel wees de smartphone-eigenaresse de te volgen richting uit - op hen wachten. Met een opgelucht hart kuierde ik weer door het winkelstraatje, wist een eigenaar te overtuigen me brood te geven, at twee perziken die ik vond en plukte zo'n twintig vijgen van een boom. Nu zou ik een asteriskje kunnen plaatsen en daar vermelden dat twintig vijgen eten een daad op eigen risico is, maar omdat iedereen toch naar de verdommenis mag gaan, vertik ik het. Rauwe tongen en blaasjes voor iedereen.
Om twintig over elf steeg de ongerustheid/irritatie weer een leveltje omhoog.
Om half twaalf wist ik hen de laatste keer te contacteren. Nog vijf minuten, dan zouden ze er zijn.
Om twintig voor twaalf stierf ik van de stress.
Om kwart voor twaalf probeerde een hulpvaardige dame hen te bereiken, zonder resultaat.
Om twaalf uur verliet de ferry de haven en ergens op dat eiland stond een meisje, dat toen overduidelijk volledig gebroken was, alle opgebouwde frustratie, teleurstelling en verdriet toe uit haar ogen te stromen. De dame belde nog eens en wist te vertellen dat ik aan de verkeerde minimarket had gestaan, dat mijn vrienden tot het einde gewacht hadden en als allerlaatste auto waren ingescheept en dat ze mijn rugzak, die we gemakshalve al op voorhand in de koffer hadden gelegd, mee hadden genomen en ergens aan de andere kant van de zee zouden verstoppen. Nog meer tranen huppelden mijn ogen uit toen ik snotterde dat mijn paspoort en bankkaart daar aan het varen waren.

Als wrak pingelde ik een sigaretje los en liftte ik terug naar het hippie-epicentrum van het eiland. Ik bewandelde de weg die ik al te veel keren begaan had, ik klauterde in het bos over de rotsen, het beekje over en struinde moedeloos naar de zeldzame connecties die nu nog overbleven.
"... What are you doing here? What happened?"
"Samothraki"
en ik plofte een hangmat in.
Iemand bood aan nog eens naar mijn vrienden te bellen om enige duidelijkheid omtrent het logement van mijn rugzak te achterhalen. Futloos stemde ik toe. Het duurde een aantal keren voor er opgepakt werd, maar er kwam alleszins een interessante mededeling uit de hoorn vallen; ze hadden mijn rugzak niet meegenomen, ...Nee? Yesyesyesyes! ze hadden hem verstopt en plein public in de haven. ...Nee? Nee. Neeneeneenee. Fuckingshithellklotekutterezooi. Mijn rugzak, mijn paspoort en bankkaart lagen ergens open en bloot in de haven waar ik daar-fucking-juist was en nu kon ik, mentaal volledig leeggezogen, nog eens het half uurtje terug wandelen door het bos, over de stenen en de rivier, terug de stad in, om daar weer eens te liften?
Fucking hell.
Ik schoof naar de zeldzame connecties toe en vroeg hen op het smekende af of iemand me wou vergezellen, want ik ontbrak de wilskracht het alleen te doen.
"So you're asking us if we want to walk with you to the city, climb through the forest, hitchhike to the port and get all the way back, only to get your bag? Sounds like a nice idea.", en ze legden zich wat gemakkelijker op hun deken, niet van plan om zich door iets of iemand uit hun chillaxte Samothrakigemoedstoestand te laten afleiden.
Mijn "Really? Does no one want to come with me?" werd zonder overtuiging, maar met erg veel hartenzeer tegen de wind gefluisterd. Ik draaide me om en hees me in mijn hangmat, verbaasd dat ik nog harder terneergeslagen kon worden door de mensheid dan ik al was.

"If you can wait an hour, I'll come with you to the port", sprak de andere hangmat. Een uur? Ik dacht aan mijn rugzak en mijn portemonnee en het liefst van al vloog ik er direct naartoe, maar ik had geen vleugels en mijn lichaam en ziel waren moe, zo verdomd moe. Een uurtje dan, en ik sloot mijn ogen voor mijn zorgen.

Nu zou ik kunnen vertellen over hoe ik en Adonis naar mijn rugzak zochten en hem niet vonden. Ik zou ook wederom een asterisk kunnen plaatsen, deze keer bij 'Adonis', met de melding dat dit een authentieke Griekse naam is. Dat ik zelfs met Artemis, Mythos, Sophocles, Socrates en fuckin' Zeus heb gesproken. Dit doe ik echter niet, net zoals ik evenmin tijd en letters wil verkwanselen aan hoe ik bijna in lachen uitbarstte van de miserie toen mijn rugzak onvindbaar bleef.
Misschien zou ik moeten melden dat ik Adonis rond de hals vloog toen hij opeens aan kwam zetten met... mijn rugzak. Misschien zou ik de euforie moeten beschrijven, het eerste spoortje van geluk dat me die dag wist te bereiken en hoe intens dat was.
Misschien moet ik jullie laten walgen door te zeggen dat ik mijn zakken met geitenschedels, die ook in de koffer hadden gelegen, ging zoeken en in plaats van deze een uitgedroogd kattenkarkasje vond, dat ik van de plastic ton afschraapte en in mijn rugzak (praktisch, zo'n dingen) propte, op het volledige geitenskelet dat er al in gesjoemeld was, evenals enkele schedels van vogels, eentje van een schildpad, meerdere van geiten en eentje die van een dolfijn bleek te zijn, twee vogellichaampjes, een potje met insecten, zee-egels en wat stukjes koraal.
In plaats daarvan fastforwarden we van dit moment naar de daaropvolgende dag, toen ik in de ferry zat en eindelijk kans had gezien mijn gsm op te laden.

Vijf sms'jes. Twee bezorgde van mijn ouders, waarop ik ogenblikkelijk repliceer met een 'Alles is goed, ik zit op de ferry en kom naar huis'-berichtje. Net wanneer ik me op Facebook wil storten, belt mijn vader.
Waarom ik niets van me heb laten horen?
Of ik wel besef dat ik internationaal geseind sta?
Dat mijn ouders de cel vermiste personen hebben gecontacteerd.
Dat ze gisteren de hele ochtend in het politiekantoor hebben doorgebracht.
Dat iedereen doodongerust is.
Dat ze met mijn vrienden hebben gepraat. Met Damian.
Dat mijn oma dacht dat ik zelfmoord had gepleegd.
Dat ze veel van mij te weten zijn gekomen.
Officiële en Facebookopsporingsberichten.
Tranen en slapeloze nachten.

Ik ben perplex. Na het telefoontje probeer ik mijn plan om wat uit te rusten verder op te volgen, maar mijn gemoed gaat wild te keer en slapen is een onmogelijkheid geworden, want er knaagt een immens schuldgevoel pijnlijk aan mijn amygdala. Ik heb niet het gevoel dat ik iets verkeerds heb gedaan, maar de al dan niet terechte schuld bijt en knaagt en scheurt stukken uit mijn vlees en ik ben verdrietig, schuldbewust, maar ook gefrustreerd en pisnijdig op wat ik enkel als 'overbodige hysterie' omschrijven kan.

Misschien is deze mengelmoes aan emoties nog het meest te wijten aan mijn teleurstelling in dit eiland. Want hoewel de bossen verrukkelijk magisch waren, de tientallen watervallen en meertjes hun charme hadden, er een natuurlijke warmwaterbron aanwezig was en het plankton licht gaf als je 's nachts in de oceaan zwemmen ging, was deze ervaring toch geen twee weken van mijn tijd waard geweest. Officieel als vermist worden opgegeven was de verrotte kers op de bedorven taart.

Ik moest en ik zou zo snel mogelijk terug naar België geraken.

donderdag 29 september 2016

THIS IS... not Sparta?

"De ene dag lijk je al wat vatbaarder te zijn voor geluk dan de andere. In Wenen, het warme marmeren hart van Oostenrijk, vond ik in de metro een licht beschonken dude die mij niet alleen een (vloer als) slaapplaats aanbieden wou, maar ook vijf euro, een pizza, een lift op zijn motor naar Bratislava, bier en ijs en een enkeltje naar een tankstation op de snelweg naar Boedapest. 
Ter verduidelijking: dit alles in ruil voor één knuffel.
Ter verduidelijking van de verduidelijking: laat het internationaal geweten zijn dat ik verdomd goede knuffels geef.

Als zo'n platgetrapt, vies zwart kauwgommetje bleef ik echter aan dat tankstation plakken. Mijn hart sprong op toen daar een hippie op me afstapte, maar hij schraapte me niet van de grond af, nee, hij bleek zelf zo'n dolende sukkel te zijn die beroep moet doen op andermans auto om ergens te geraken. Hij kwam van Berlijn en het mag een wonder heten dat hij Bratislava had bereikt, want met hem erbij kwam ik dus duidelijk nergens. 
Enkele uren lang hebben we geprobeerd en het enige dat we (ik) verkregen, waren een paar sigaretten, twee biertjes en een paar broodje-met-ham-en-kaas. Hij vond een lift, maar wel eentje die ons pas de daaropvolgende ochtend kon meenemen. We hebben onze slaapzak dan maar tussen wat bomen gegooid en op de grond en onder devnaaktslakken geslapen. Geen regen, geen muggen en het lokaal nachtrecord slakplukken -en werpen op punt gesteld, wat wil je nog meer?"

schreef ik twee weken geleden, met de intentie het verslag te vervolledigen op het einde van de dag. Niet gebeurd, en ik blameer de warmte. Boedapest, Ljubljana, Sarajevo, Mostar, Dubrovnik, Bar, Pristinje, Skopje, Thessaloniki... FUCKING HEET. Het lijkt alsof al mijn energie opgeslokt wordt door een veelverbruikend, weinig merkbaar resultaat opleverend intern koelingssysteem. 
Twee weken geleden heb ik mijn kleren in een wasmachine kunnen steken, wat dus concreet inhoudt dat ik nu al veertien dagen onder een zonnig gemiddelde van 35 graden aan het marineren ben in mijn eigen lichaamssappen. Of mijn zweet zou de basis kunnen vormen voor een vernieuwde Chanel N° 5, of iedereen verkiest beleefde vriendelijkheid boven eerlijkheid, of of de nasale capaciteiten van de hele wereld zijn om zeep, dunno, maar ik word niet behandeld als het stinkend viswijf dat ik na het zwemmen in de Kaspische Zee ongetwijfeld geworden ben.

Zo word ik op dit moment ook als klant-zonder-geld vriendelijk bejegend in het restaurantje waar Konstantina werkt. Ze is knap, zachtaardig, genereus en vol van levenskracht en excuses. Geen tijd om te reizen. Geen geld. Zelfs een compliment als "You're so brave." is een excuus in disguise. 
Er is niets dappers aan mijn manier van reizen. Iedereen die ik ontmoet is een toffe granaatappel en velen schroeven hun hospitaliteit nog extra hoog op om zo de perfecte vertegenwoordigers te zijn van de generositeit van hun natie. Volgens een ruwe schatting heb ik al zo'n twintig liter bier gekregen, vier sloffen sigaretten, veertig maaltijden, honderd lifts, tientallen slaapplaatsen en 27 euro. Moeiteloos.
'Maar het is toch gevaarlijk?' 
Pfrt, het is wat je er zelf van maakt. 
Ik ga er vanuit dat een enthousiaste, open, leergierige geest met een mooie portie intelligentie, humor en common sense het leeuwendeel van gevaarlijke situaties vermijden of ontmijnen kan. After all, de meeste mensen (mannen) zijn geen wrede psychopaten, je kan hen ten hoogste naïeve, westersewereldvreemde achterlijkheid aanwrijven, het soort waar 'Nee' altijd als 'Blijf proberen, dan komt het wel goed!' geïnterpreteerd wordt. Dat is pokke-irritant, sure, maar gevaarlijk? 
Mijn Roemeense truckchauffeur was de meest bedreigende situatie, en die was voor een groot deel aan het negeren van mijn eigen intuïtie te danken. Voor de rest heb ik tientallen keren mijn weigering tot in den treure moeten herhalen, twee keer een kus moeten ontwijken en slechts een keer iemand geënsceneerd razend tot de orde moeten roepen ("You do have a mother, right? How would you feel if someone would try this with her? If she needed help and a guy tried to disrespect her like you do? Aaah, yes, I thought so!") en daar houdt het gevaar meteen op.

Ik hoop dat ik Konstantina, evenals al mijn andere internationaal gelegde contacten, ooit in mijn huis verwelkomen zal. Dat ze niet gezellig gevangen blijven in hun comfortzone. Ik ben moederziel alleen in Bosnië, Albanië en Kosovo geweest en ik heb geen enkel mentaal, financieel of lichamelijk schrammetje opgelopen. Ik heb met moslims joints gerookt en enkele nachtjes in hun ouderlijk huis doorgebracht. Het is verdomd moeilijk voor vooroordelen om zo nog langer overeind te blijven staan. Ook de natuur, man, vanaf Bosnië wordt de natuur wünderbar. Bergen en bossen en rivieren die zo van een expressionistisch schilderij lijken te stromen. Als vegetariër heb je hier niet veel te zoeken, c'est vrai, maar de mensen zijn zo ongelooflijk gastvrij. Nergens kreeg ik zo gemakkelijk een lift als in de Balkan - al helpt het natuurlijk ook wel om een autostrade te hebben waar de maximumsnelheid soms amper dertig kilometer per uur is. 

Gisteren werd ik door Servische Zweden getrakteerd op een bord verse mosselen, waarna de serveuse me verwelkomde met dessert, ouzo, bier, sigaretten en een slaapplaats. Gevaarlijk, mijn gat. Hooguit een delirium die voldoende charmes bezit om iedereen positief te imponeren. Nu zit ik in datzelfde restaurantje, waar Konstantina me wederom voorzien heeft van een frisse halve liter en een versgerolde sigaret.

Of ik me geen profiteur voel? Nee. Om te beginnen zit 'het profiteren' ergo 'de situatie naar uw eigen belangen kunnen schikken' me in het bloed. Daarnaast gebeurt het zelden dat ik mensen expliciet om iets vraag, nicotine uitgezonderd. Ik klamp niemand aan, ik blijf niet doordrammen en ik reageer op alle (onuitgesproken) weigeringen even vriendelijk. Als ik iets krijg, dan is het omdat mensen me iets aanbieden en het verkiezen mijn weigering - die er uit beleefdheid altijd is - te negeren terwijl ze me wat ijs, fruit, brood, geld of volledige maaltijden toestoppen. Als er naar mijn slaapplaats gepolst wordt, zeg ik eerlijkheidshalve dat die er nog niet is - het moment van de avond waarop hij meestal wel uit een of andere mouw wordt geschud. Ik profiteer niet, ik geniet van het leven en mensen krijgen klaarblijkelijk een voldaan gevoel van mijn genot.

De stomste plaatsen waar ik al ben geweest? Skopje en Siofok. Beiden steden waar Amerikaanse rijkepapa-kindjes dronken worden op martini's en cocktails. Fake, hol, ongepast grotesk en in Skopjes geval, schromelijk lijdend aan financieel niet te verantwoorden hoogheidswaanzin.
De mooiste plaatsen? Al de rest, maar de Balkan heeft toch een speciaal plekje in mij veroverd. Ik raad iedereen Berlijn, Polen (Warsawa uitgezonderd), Brno, Ljubljana, Sarajevo en Thessaloniki aan. Mooi, jong, dynamisch en gastvrij. 
Griekenland is veelbelovend. Ik heb al een lijst toegestopt gekregen met alle steden die ik zeker moet bezoeken, maar ik heb het voorgevoel dat dit langer dan twee weken in beslag zal nemen en zoveel tijd heb ik niet meer. Het is half één 's nachts, net 7 augustus geworden en ik moet voor de 26e thuis zijn (verplichte aanwezigheid betreffende een job waarover geen enkele garantie bestaat dat ik hem op 1 september verder zetten kan), ik moet Brno nog eens een bezoekje brengen, of toch zeker een iemand die daar woont en ik moet, best wel belangrijk, in België zien te geraken. De laatste korrels dwarrelen uit de chillax-zandloper. Athene bereik ik waarschijnlijk niet meer, désolé, maar misschien dat ik hier nog op een of ander hippie-eiland belandt, of in Bulgarije, of in Servië...

Ik hoop dat ik vlotjes aan de afwezigheid van dit alles wennen kan. Niet alleen ontdek ik de wereld en diens inhabitanten, ik ontmoet ook een pak nieuwe vrienden en dit alles voor minder geld dan waar ik thuis mee leef. Vandaag was een geldelijk geschifte dag: ik heb zowaar zes euro uitgegeven aan eten, twee euro aan een museum, drie aan een ketting die de reis niet zou overleven en zeventig aan twee piercings en drie ringetjes. Het schijnt dat de piercer in Wrotslaw zijn huiswerk niet goed heeft nagezien. Bummer, maarrr ik weet nu wel dat de beste piercer ter wereld Nico heet en zich in Griekenland schuilhoudt. 

De zee hier is saai en smerig, helemaal niet zoals in King's Landing, maar de monumenten maken veel goed. Jongens toch. Gisteren een Griekse sarcofaag van een millennium geleden betast. Stond gewoon buiten aan de ingang van het museum, geen glas, geen hekje, zelfs geen 'Please, do not touch'. Zoveel historische schoonheid, zoveel hedendaagse armoede. 
Hoe beter (lees: goedkoper) het is voor de toerist, hoe ongeloviger de inheemse lonen worden. 1000 euro netto in Polen. 400 in Bosnië. 200 in Albanië. En dan ga je naar de supermarkt met de verwachting een grote buit te slaan; forget it. Alcohol en sigaretten, dat is het enige dat naar mijn ervaring mee daalt in prijs. Een zak chips kost in Albanië nog steeds een euro. De Arische drugsdealers in Bosnië vragen nog tien euro voor hun minderwaardige xtc. 

Dus alsjeblieft, s'il vous plaît, bitte, België, stop al dat geldelijk gezaag maar ver weg in je volle portefeuille. Voor veel mensen zijn wij een utopisch land van bier en chocolade.

dinsdag 13 september 2016

Absint in Brno

Terwijl ik druk bezig was me ontheemd en neerslachtig te voelen in een parkje in Brno, kon een van de vele persoonlijksheidsfracties die mijn inner voice besturen het niet nalaten me toe te fluisteren dat komend geluk nu quasi gegarandeerd was. Ik had mijn dieptepunt bereikt en ik voelde (instinctief?) aan dat er geweldige gebeurtenissen in het vooruitzicht lagen. 'Na regen komt zonneschijn', en soortgelijke clichématige shit. 

Dus, nadat ik dit neergepend had in mijn niet-representatieve reisdagboek - Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije stonden nog over een arbitraire grensverdeling getypt en Kosovo en Macedonië schijnen nog niet te hebben bestaan - besloot ik om mijn positieve, stinkende combats ter hand te nemen en blootsvoets naar die andere soloreiziger te wandelen om een praatje te slaan - want zo begint men een avontuur. 
De jongen was beschamend timide, maar hij beschikte over net voldoende kennis van de Engelse taal om een praatje mee te kunnen slaan, so goal achieved. Ik inviteerde hem om mee met mij op stap te gaan en met de locals op café te socialisen en daar had ik al wreed snel spijt van. Hij was zo'n verlegen muurbloempje dat hij niemand durfde te storen met zijn bestaan en zich zelf niet in mijn gesprekken durfde te mengen. Daarnaast zorgde zijn aanwezigheid ervoor dat we als koppel beschouwd werden, waardoor mijn aanwezigheid voor de mannen daar evenveel verwaarloosbaar belang had als een te kleine schuimkraag op hun pintjes van een halve liter. Ook voelde het vreemd aan om zelf het gesprek te starten met voornamelijk heren als je er al eentje mentaal aan je hebt plakken. But I did it anyway.

"Wat kan je goed?", is een doodgeknuppelde vraag waar ik nooit goed op antwoorden kan. 
Ik kan zien. Ik zie het hert dat ons aangaapt naast de autostrade. Ik zie welke spullen je nieuw aangekocht of van plaats veranderd hebt in je huis. Ik zie de vlekjes, barstjes en scheurtjes waar jij jarenlang naast hebt gekeken. Ik zie symmetrie. Ik zie schoonheid. Ik zie persoonlijkheden.

Ik zag de flikkering in iemands ogen en wist dat ik beet had. 

Toen ik me naast Interessant Individu 1 zette en de conversatie aandrukte, sprong de schwung al snel in ons gesprek. Hij verklapte waar je echte absint drinken kon, waar de alternatieve jongeren zich schuilhielden en hij gaf enkele interessante bezienswaardigheden prijs, zoals het naaktstrand en de swingers club. Blok Aan Been zat er voor spek en bonen bij en ging al gauw op een andere plaats oninteressant wezen. Finally free. Interessant Individu 1 moest mijn gezelschap wel inruilen voor dat van enkele vrienden, désolé, maar we spraken af dat hij me de volgende dag een rondleiding verschaffen zou. Voor mij zat er dus niets anders op dan de voorgestelde cafés met een bezoekje te eren. No, just kidding, uiteraard was het de swingers club waar mijn voetjes me naartoe troonden. D'uh.

Ik was de enige bezoeker, een bummer die ik pas ontdekte toen ik al aan tafel was aangeschoven voor een verkennend gesprek met de eigenaar. De zeer aimabele, sociaalvoelende baas sms'te ogenblikkelijk zijn voltallige klandizie en, terwijl we op Godot zaten te wachten, gaf hij me een guided tour door zijn etablissement. Nette badkamer, volwaardige bedden, loungezetels, gloryholes en zelfs een sm-kamer. Als je ooit, tijdens illustere avonturen, een meubel tegenkomt dat lijkt op een groot uitgevallen kinderstoel met een citruspers in verwerkt, weet dan dat er toch alvast één Vlaming rondloopt die het nut hiervan kent. In elk geval een voorbeeld van toonaangevende menselijke creativiteit.
Na de rondleiding zaten de baas, zijn vrouw die net grotere borsten had aangeschaft, de sitebeheerder en ik Facebook te checken, af en toe wat woorden wisselend, wachtend tot iemand zou arriveren. Ongemakkelijk beschrijft het best mijn gevoel van toen. Heck, mijn bandeloze nieuwsgierigheid had me naar daar geleid, maar op dat moment was ik liever ergens anders geweest. Beleefdheid liet me echter blijven - tenslotte was er hoogstwaarschijnlijk iemand onderweg naar hier, speciaal voor mij. 

Die iemand bleek Average Dude Mc Average te zijn. Hij was ongeveer even oud als ik, en dat is al direct de stop van zijn positieve punten. Qua uiterlijk was hij onopvallend, tot het saaie af. Hij sprak geen Engels, durfde me niet in de ogen te kijken en zijn hand beefde onnodig angstig als hij zijn koffietje roerde. Ja, aan de komende awkwardness viel niet te ontsnappen. De baas kon mijn njet overbrengen en ik vertrok haastig, balend over zoveel verloren tijd. Het was ondertussen al middernacht, middernacht op een woensdagavond, damn, hoeveel cafés zouden er nog open zijn? Fors snelde ik naar de absintbar, die zowaar nog open en bevolkt bleek te zijn. Rustig, maar niet doods.

Bij het binnenkomen viel mijn alziend oog direct op een gouden krullenbol, maar hij maakte zich op om naar buiten te gaan, en ik was veel te zenuwachtig geraakt door de tijdsdruk om hem dan ongedwongen aan te kunnen spreken. Dus ik keek gepijnigd naar zijn wegwandelende rug, ging zitten, kalmeerde, trok iedereen door mijn netvlies en er zat hoegenaamd niets interessants bij. Damnit. Met terug verergerende zenuwen verliet ik de zaak om te ontdekken dat de jongen nog buiten stond, met zijn vrienden. Even weifelde ik. Toen vroeg ik of ik erbij mocht zitten en de band was gesmeed.
Het gezelschap studenten was uitermate vrolijk, wat misschien te wijten valt aan het bier, de absint, de acid en de shrooms die ze verorberd hadden. Als licht gestoorden waggelde en wankelde de groep daar 'where the lights are'. Mij allemaal om het even. Toen kwam de xtc eraan en de maan werd nog mooier dan anders en onze vrolijkheid bracht ons naar een zwembad waar er effectief kleurige spotlights naar de hemel werden gericht en de lichten waren betoverend en de muziek zat goed en er druppelde liefde van mond naar mond. We hadden er onze tijd en af en toe een pauze ("Look at how beautiful the moon is." *legt zich neer* "So beautiful.") voor nodig, maar al schaterend kwamen we bij hem thuis aan, waar we goed en zeer weinig hebben geslapen.

's Ochtens kreeg ik als ontbijtvariëteit gestoofde ajuinen voorgeschoteld en 's middags kwam ik mijn afspraak na met Interessant Individu 1, die zijn stad en bed met me deelde en me meenam op restaurant. Terwijl ik eend met honing en dumplings zat te eten, kreeg ik een sms'je dat desondanks de verhakkelde taal niets aan de twijfel over liet: de gouden krullen waren verliefd op me geworden. 
Het gebeurt niet vaak, maar daar wist ik even niets op te antwoorden. Ik liet mijn compagnon het sms'je lezen onder de vragende wanhoop wat ik daar nu mee moest aanvangen. 
Verliefd worden op een meisje dat de dag erna het land alweer verlaten zal, is geen goed idee. Maar het was een knappe, lieve en zachtaardige jongen en ik wou hem gaarne nog een paar keer tegenkomen in mijn leven. Dus ik hield kwetsende waarheden achterwege en sms'te hem om af te spreken. Die avond dronk ik voor de eerste keer in mijn leven absint. De dag erna vertrok ik weer.

Voor het aanraken van zijn twintigjarige hart gaf hij me een ketting cadeau. Normaal ben ik te oud voor zo'n frivoliteiten, maar het was zo'n puur, oprecht en ongedwongen gebaar dat het me roerde. De lucht was donkergrijs en goot water over mijn bus uit toen ik Brno verliet - symbolische ruimte! - maar mijn hart klaarde samen met de zon op. Alles verliep die middag fantastisch: ik had snel een lift te pakken, die me joviaal een liter lokaal gebrouwen zoete wijn toestopte, een Weense dame gaf me nuttige informatie over een gratis festival dat die dag plaats zou vinden, een pen en vijf euro cadeau, op het festival vond ik mdma en een slaapplaats en alles was goed. Ik zou zelfs zeggen dat het haast té warm aan het worden is.

zondag 4 september 2016

Verf aan mijn vingers en spatten op mijn hart.

Ik zou verder moeten schilderen, een tweede laag groen op mijn strepen voor de verf in het verfbakje opdroogt, maar ik luister stilletjes naar Parov Stelar en huil net niet. Het is vreemd hoe dagdagelijkse dingen, zoals de naam van een straat of een hond, een station waar je midden in de nacht belandt omdat een hoogspanningskabel vol ballon je een totaal ander traject laat afleggen, het beluisteren van liedjes op YouTube... een connotatie gekregen hebben die er oorspronkelijk helemaal niet voor bedoeld was. 

Parov Stelar liet me altijd dansen, in een ander huis en een andere tijd, en terwijl ik dit schrijf komen er herinneringen van toen - de lichtinval. De lentezon die ons van haar kracht probeerde te overtuigen - binnengekropen en mijn toenmalige geluk wordt psychisch net niet tastbaar. Ik kan de zon net niet zien, net niet haar warmte voelen, net niet merken hoe mijn lippen toendertijd naar boven waren gekruld en mijn voeten van links naar rechts bewogen. Wanneer ik denk in de herinnering te kunnen kruipen, vervliegt deze weer, met elke vleugelslag een grammetje treurende, hunkerende, zinloze nostalgie achterlatend.

Ik kan er met niemand over praten. Verdriet is sowieso al niet het meest bespreekbare, gewaardeerde onderwerp, en als je dan verdrietig bent over een hartenbreker is het vaatje sympathie snel opgedronken.

Pizza. Opgewarmde pizza van de dag ervoor al swingend opeten. De kruimels van de vloer rapen. Naar de badkamer dansen en even door het raam naar de lente kijken. Toen wist ik al dat het geluk was, broos geluk, maar dat het zo broos zou blijken te zijn, nee, dat had ik niet verwacht.

"Je weet dat het een klootzak is. Mocht hij nu eerst heel erg lief geweest zijn en dan geleidelijk in een klootzak zijn veranderd, dan was dat iets anders. Maar hij was al van in het begin een klootzak en je weet het."

En ik zeg niets, want wat moet ik zeggen? Dat liefde, zelfs die van een emotioneel geretardeerde autist, niet rationeel is? Dat ik verstandelijk perfect besef dat hij me vroeg of laat psychologisch gewurgd zou hebben, maar dat dat mijn brein er niet van weerhoudt voornamelijk te focussen op de rozewolkjesperiode? Dat ik die rozewolkjesperiode verdomd hard mis? Dat ik zijn ongeduldige, asympathieke opmerkingen toen nog niet eens zo erg vond, zolang hij maar een beetje van me hield? Dat ik in zijn gemene kantjes mezelf had herkend, of hoe ik had kunnen zijn? Dat hij overdag dan wel niet de meest aimabele jongen ever was, maar dat hij 's nachts daar wel naar transformeerde?

Hoe kun je de schoonheid van iemands ogen uitleggen? De nooit eerder gevoelde zachtheid van een rug? De geur van baardolie? Dat iemand uit (onterechte) frustratie zijn tanden naar je ontbloot en dat je voor het eerst beseft dat je niet de enige bent die dit doet?

Hoe kun je duidelijk maken dat mensen meerdere persoonlijkheden kunnen hebben? Dat ze overdag nors, nukkig, hard, ongeduldig en wreed kunnen zijn, maar dat je geluk een hoogtepunt kende wanneer je 's nachts in hun armen sliep? 
Zijn overheersende kutwoede zal het hem nooit toelaten het te bekennen, maar in de nachtelijke rust werd hij een ander, kwetsbaarder, oprechter iemand - en dan hield hij van me. In de late/vroege uurtjes kon ik eindelijk open met hem praten over Verdriet, Pijn, Liefde en Verwachtingen, zonder dat er ook maar een spatje ergernis mee gemoeid was. 

"Zijt ge verliefd op mij? Stop er maar snel mee."

Niemand is 'gewoon' een klootzak. Hoeveel relationeel onaanvaardbare shit er ook gebeurt, er zijn altijd wel voldoende sprankels schoonheid, herkenning, interesse, liefde en lust aanwezig die de onaanvaardbare shit aanvaardbaarder maken dan zou mogen. En als je te hard focust op wat was en wat had kunnen zijn - mits een ander deterministisch verleden - dan kan het gebeuren dat je jezelf in je zetel treft, met je reisdagboek in je hand, Parov Stelar op YouTube, aangekoekte groene verf in het verfbakje, tranen in je hart en de woede die in je zit, die altijd wel ergens in je zit verscholen als een prehistorisch overblijfsel, een wild beest dat ervoor zorgt dat je je nooit mens voelt zoals de anderen, dat je de hele mensheid soms tegen de muur zou willen zetten en afschieten, je familie en vrienden en jezelf erbij, alleen om rust in je ziel te krijgen, wel, die woede opent bruusk je lippen en gromt en brult zo luid mogelijk alle haat eruit en je hist razend (teleurgesteld) omdat de enige persoon die hetzelfde deed zichzelf niet toe staat menselijk en zwak te zijn en lief te hebben.