zaterdag 3 juni 2017

Bruce Springsteen - The River

Gisteren werd ik onverwacht en lafhartig besprongen door een huilbuitje. 

Ik zat gewoon lekker mijn springuurtjes te verdoen met sociaal online vertier, toen ik opeens oncontroleerbaar en zonder directe aanleiding begon te grienen, en nog niet eens een beetje ook. Tranen, tranen, massa's tranen, even een traanklierenpauze en dan begonnen we er weer aan.
'Blèren uit colère', een sympathieke slogan, maar onwaar. Ik was niet boos, heck, ik was niet eens verdrietig. De zon scheen, mijn werkdag zat er bijna op, het internet had nog steeds nut en ik stond net op het punt me enkele sneetjes hazelnotenbrood met smeuïge kaasjes toe te eigenen toen ik me opeens van alle levenslust verlaten wist. Alsof de muzikanten van Fiddler's Green samen met hun muziek enkele Dementors uit mijn laptop hadden geperst. 

Het verdriet stond delicaat en uiterst zichtbaar op mijn ogen geschilderd, dus ik nam wat verantwoordelijkheid en mijn gsm erbij en belde naar het secretariaat om de situatie uit te leggen en te vragen of mijn aanwezigheid bij het komende studie-uur vereist was. Er waren nog andere leerkrachten, maar ik moest 'zo snel mogelijk' komen. D'accord.

Op mijn gemakje perste ik de laatste druppels treurnis uit mijn ziel, at nog een extra boterhammetje en wachtte tot de rust voldoende in me was weergekeerd. Dertig minuten, om perfect te zijn.

Het ging pertans zo goed de laatste week - al had dat meer te maken met de onverwachte komst van zeer gewenst gezelschap dan met mijn eigen verwerkingsproces.

Twee weken geleden lag ik namelijk op donderdagochtend nog lekker in mijn bed toen de bel ging. Ik stak een dikke mentale middenvinger op en kroop dieper onder mijn laken... toen er wederom aangebeld werd. Balend, zuchtend en dik tegen mijn zin stond ik op, liep de trap af, wikkelde mijn naaktheid in mijn mooiste fleecedeken en opende de deur voor twee vermoeide Canadese gansjes.
Redelijk uit mijn doen en inwendig twijfelend aan het realiteitsgehalte van de toenmalige gebeurtenissen brouwde ik een stevige kan thee, liet me op de ene schoot en half uit m'n deken glijden en begon wat Engels te wauwelen. Een uurtje hebben we zo tussen droom en werkelijkheid gezeten, dan kropen we mijn bed terug in, dat ik na twee uur wederom verlaten moest wegens arbeidsverplichtingen. Een zeer exemplarische start van de week die komen zou en waarin iedereen-behalve-ééntje zich schaamteloos kon overgeven aan laat het nest in en nog later het nest uit vliegen.

Het moet gezegd worden: het was een zeer aangename week. Ik mag dan wel slachtoffer geworden zijn van een systematisch slaaptekort en enkele niet al te verantwoordelijke gasten, ik voelde me tenminste weer gelukkig. Samen met de rust en de ordelijke opgeruimdheid in mijn huis verdween ook de sombere gemoedstoestand, de cynische neerslachtigheid en het gebrek aan levenslust waar ik al een week (die als dubbel aanvoelde) mee te kampen had.

We lachten en dolden en knuffelden en kusten en vreeën en musiceerden en omdat dit alles veeleer buiten plaatsvond, werd de hele wijk erbij betrokken.
Buren wiens naam ik nooit onthouden heb en met wie ik in een jaar tijd slechts een paar maal en haast per ongeluk een 'goedendag' mee heb uitgewisseld, namen opeens hun tuinstoelen bij de hand om zich erbij te zetten. Iemand kwam af met porto en wijn. De nieuwste inwijkelingen, een pasgetrouwd koppeltje (islamitisch maar behoorlijk progressief), bleven iedereen maar voorzien van pannenkoeken, Russisch ijs en watermeloen. Nog een andere bracht bier mee en startte op het einde een kleine geldinzamelactie uit sympathie. Iemands dochter nam haar ukulele bij de hand en begon te spelen en mee te zingen met hun repertoire, terwijl mijn buurman enkele van zijn schaars gebruikte instrumenten buiten installeerde.
Zelfs op het moment dat Hanlan Meisje N°1 bij mij thuis had uitgenodigd, zijn affectie jegens haar lekker uitgebreid tentoonstelde en zo toch enkele wtf?!-momentjes ontlokte bij de buren - zeker de ongeveinsde ontsteltenis van de nieuwe buurman was kostelijk - bleef iedereen fucking sympathiek. Ze hadden allemaal medelijden met mij, dat wel, al zou dat waarschijnlijk een pak geminderd zijn als ze opgemerkt hadden hoe mijn lippen af en toe met die van Hanlans broer in contact kwamen.

Desalniettemin zaten er wel enkele smetjes op mijn geluk, veroorzaakt door het gedrag van Hanlan dat me steeds opvallender weet te storen.

Zijn onverschillige nonchalance die hem verhindert bezorgd te zijn over andermans spullen en die er dus voor gezorgd heeft dat de smerigheid, de chaos en het verval mijn thuis binnen drongen. Zijn gebrek aan eerlijkheid, waardoor hij een kapotgemaakt iets altijd zal wegmoffelen en nooit zal opbiechten. Zijn laksheid in het uitvoeren van opdrachten en zijn talent om de klus steeds door een ander te laten klaren. Zijn pertinente weigering om te vertellen met hoeveel hij al heeft gevreeën en hoeveel meisjes hij nu als zijn liefje beschouwd.
Dit laatste, god, dit laatste. Hoe de fuck kunt ge nu iemand, meerdere mensen zelf, uw liefje noemen als je nog niet eens de decency hebt eerlijk tegen hen te zijn? Zijn antwoord is er steevast eentje in de lijn van 'I don't know and I don't care', maar dat betekent dat

  1. hij een asshole is als hij de waarheid spreekt. Hoe moeilijk is het immers om even na te denken hoeveel meisjes je ongeveer gehad hebt en die dan zowaar op te tellen? Hij weet dat hij mij en die (?) aantal andere grieten schoffeert door het zo geheim te houden, dus zijn we dan echt zo weinig voor hem waard dat hij zich niets van die gevoelens aantrekt - en niet eens onthouden kan hoeveel liefjes hij heeft?
  2. hij ook bij een leugen nog steeds een asshole blijft. Hoe zielig is het niet om dat cijfer, gesteld dat hij het daadwerkelijk weet, geheim te houden terwijl al zijn meisjes wel volledig open kaart spelen met hem? Wat bereik je daarmee? Het gevoel mysterieus te zijn terwijl je de mensen die zich emotioneel en lichamelijk aan je gehecht hebben kwetst, frustreert en niet in vertrouwen durft te nemen? 
Ik vroeg hem hoe hij zijn relationele toekomst ziet. 

Zo zou ik bijvoorbeeld heel erg graag een alfamannetje vinden; de onbetwistbare emotionele leider van de bende friendswithbenefits en onenightstands, de jongen waar ik het meest van zou houden, mijn soulmate, degene die ik naar mijn familie zou meenemen en tegen de hele wereld introduceer als mijn lief. Mogelijkerwijs zal ik meerdere liefjes hebben, die kans lijkt me zelfs zeer reëel, maar vooralsnog wil ik één iemand om die maatschappelijk beladen term met recht te dragen.

"Hm," antwoordde Hanlan, "I don't know. I don't want any difference, I want to love you all the same."

En die zin heeft me aan het denken gezet, en hard ook. Wat hij vertelt is namelijk een contradictio in terminis: het is onmogelijk om evenveel te houden van verschillende liefjes. Je kunt van meerdere mensen houden, ja, maar als je verliefd bent geworden op hun persoonlijkheid is het onmogelijk om van iedereen even passioneel te houden, want iedereen_heeft_een_andere_persoonlijkheid, waarvan sommigen nu eenmaal beter bij die van u passen dan anderen.
(Op de piek van mijn fwb-verzameling wou ik een paar uitverkoren elk weekend en anderen slechts enkele keren per jaar ontmoeten, want met sommige jongens klikte het gewoon opvallender beter, zowel in als buiten de lakens.)
Dat Hanlan blijkbaar voor al z'n meisjes dezelfde hoeveelheid liefde voelt, vind ik uitermate verontrustend. Ergens laat dit mij geloven dat hij verliefd is op de liefde zelf, en dan specifiek op de coup de foudre van de eerste weken. Langer blijft hij ook nergens, dus hij heeft net genoeg tijd om verliefd te worden op een jonge, interessante en aantrekkelijke vrouw, die dan voor enkele dagen in zijn armen kan zwijmelen, vol bewondering in zijn ogen wegdoezelt en de breedste en meest gelukzalige glimlach tevoorschijn tovert na de seks - en hij verdwijnt uit het beeld voordat het ook maar enigszins serieus of problematisch kan worden.
Zolang we vol overgave passioneel lichtzinnig van hem houden, houdt hij van ons, zonder zelf te beseffen dat we in se perfect inwisselbaar zijn.

Over mij zal hij spreken als 'a girl', misschien zelfs als 'a Belgian girl' en meer persoonlijke identiteit zal hij me niet gunnen ten overstaan van zijn andere veroveringen. Zelf grapt hij dan weer wel dat ik zijn naam op mijn lichaam zou moeten tatoeëren - en met wat pech vindt hij ooit een meisje naïef genoeg om dat daadwerkelijk te doen.

Ik vind het treurig. Beledigend. Respectloos. Kwetsend. En ik weet dat als ik zou kunnen kiezen tussen zijn gouden verlovingsring-met-diamantje of het metaal van jouw sleutel, je mij bij jou thuis zou aantreffen.

Alleen heb ik geen keuze. Het enige wat ik heb is een ring van een jongen die letterlijk al zijn juwelen weggegeven heeft aan de liefjes die hij niet eens onthouden kan (Meisje N°1 liep vorige week, wegens een nijpend gebrek aan ringen, opeens met zijn ketting rond) en zelfs hem heb ik nu niet meer.
De ochtend na hun vertrek werd ik, na een pauze van exact zeven dagen, weer wakker met tranen in de ogen. Tranen die nu schijnbaar ook op willekeurige momenten eruit willen springen om me ervan te vergewissen dat ik u nog steeds mis.

De vloer is lava en we glijden al brandend weg in de hel die anderen in onszelf geopend hebben.

zaterdag 13 mei 2017

Titel geplaatst

40 recensies liggen al een week op mijn aandacht te wachten (5 à 7 minuten verbeterwerk per taak), ik moet nog extra lesmateriaal voorzien voor een anderstalige leerling die al het hele jaar met het gewone werkboek aan het sukkelen is en nu opeens aangepaste oefeningen dient te krijgen, een andere leerling is geopereerd en krijgt nu thuis les van mij, voor al mijn klassen dien ik dringend wat extra taken en toetsen te bedenken (die op hun beurt voor extra verbeterwerk zorgen), op mijn vloer liggen de verwelkomingsbrochures van Amnesty en WWF die ik al een maand negeer samen te hokken met wat restjes bont, een kalend Mariabeeld dat gewoon de vuilbak in gekieperd dient te worden, mijn belastingbrief en enkele Libelles die hetzelfde lot als Maria toebedeeld zijn.

En ik ben aan het schrijven. 
Nadat ik een hele middag geschilderd heb. 
Nadat ik bijna twaalf uur in bed heb gelummeld. 
Nadat ik gisteren een halve Dorian Gray heb gelezen, een nieuw bandje heb gekocht voor mijn opwindhorloge (nooit met je horlogehand loeihard op de tafel meppen als je kutklas haar naam trouw is), mijn favoriete ovenschoteltje heb gekookt, de afwas heb geliquideerd, zowel mijn kussens als mijn ketamine-overdosis-bontoutfit heb gerepareerd, 's avonds even door een creepy hoop smegma  - ook wel bekend onder de noemer 'man' - achtervolgd en ondervraagd ben geweest en, jawel, toch nog één nutteloze taak verbeterd heb zien te krijgen.

Ik weet niet of ik mijn tijd verdaan heb of nuttig besteed. Waarschijnlijk beide. 

De reden voor dit schrijven is dat een vriend me het gisteren heeft aangeraden. Hij leest heel graag mijn stukjes en voor mij werkt dit licht therapeutisch, dus win-win. And to be fair, why not? Waarom maanden wachten op onoverkomelijk drama als ik door de week ook een beetje schrijven kan? Over leerlingen die op hun ICT-taak van sciencefiction en fantasy geschreven hebben dat Lord of the Rings bedacht werd door Peter Jackson, dat het tapijt van Bayeux een voorbeeld is van populaire superheldencomics en Friends (zie beeldfragment vorige blogpost) van een fantasyserie?

Maar daar ga ik het nu niet over hebben.

Ik ben tijdelijk een deeltje van mijn levenslust verloren, iets wat me enorm zou storen als ik de energie had om ergens gestoord over te zijn. 

Sinds ik Hanlan heb ontmoet, kijk ik reikhalzend uit naar de grote vakantie en mijn mogelijks nieuwe leven dat daarmee samenvalt. De motivatie voor mijn werk is sinds dat moment op een erg laag pitje komen te staan. Nu is het volledig uitgedoofd. 
Ik tel de dagen af naar de examens (nog een maand, sweet mother of jesus) en het komt enkel door mijn zin voor verantwoordelijkheid dat ik het nog niet opgegeven heb. 
Vroeger sprong ik uit bed als de wekker ging, nu blijf ik altijd enkele minuten twijfelen of ik niet gewoon zou blijven liggen. Helemaal problematisch wordt het in het weekend, als er geen wekkers en de verantwoordelijkheden te verwaarlozen zijn. Elf uur heb ik vandaag in bed gelegen. Elf uur. Negen uur heb ik geslapen, de rest van de tijd had ik nodig om mezelf te motiveren op te staan.

Ik wou dat ik verslaafd was aan drugs, dat ik me ladderzat zou kunnen drinken of dat ik mijn psychische pijn kon verzuipen in het bloed dat ik uit mijn aderen zou snijden, maar zo werk ik niet. Ik ben sterk, een overlever.

Dus ik overleef.

Nog geen glas alcohol heb ik geconsumeerd. Nog geen vingertipje mdma. Gisteren was zelfs de eerste keer in een maand tijd dat ik mijn dagelijkse sigaret ontzag. 
Masturberen gebeurt dan weer wel en masse, maar altijd met de tranen in de ogen en orgasmes even teleurstellend als mijn huidige liefdesleven. Ja, mijn verbale klauwen zijn nog steeds scherp, no worries. En chocolade eten kan ik ook als de beste.

Daarnaast verricht ik ook echt nuttig werk in huis, maar elke bezigheid voelt inhoudelijk zo leeg aan. Ik herinner me dat het schilderen van de muren vorig jaar me moest afleiden van mijn toenmalige liefdesverdriet. Nu heb ik ook geschilderd, maar dan slechts wat metaforen op een bedrukt blad papier. 
Ergens (ik ken de plaats perfect) ligt er hier zo een geschilderde libelle als herinnering verstopt, met liefde gemaakt voor een jongen die het niet beantwoorden wou. Ik heb ook wat foto's. Een lolly. Enkele Magic-kaarten. Een flacon voor whisky. Twee zwarte onderbroeken, waarvan een gecraqueleerd. En als ik alle tastbare herinneringen ga beschrijven die Damian hier achtergelaten heeft, zijn we weer twee alinea's verder.

Maar god, ik zou het echt leuk vinden mocht je meer blijken te zijn dan een nostalgische relikwie.

vrijdag 12 mei 2017

De hectische mallemolen die mijn leven voorstelt

Er is zoveel om op te schrijven dat ik niet weet waar te beginnen. Misschien helpt een lijstje:

  1. Ik werd verliefd.
  2. Alles werd awkward.
  3. Ik werd verliefd.
  4. Teleurstelling alom.
Gek hoe gebeurtenissen die zo'n impact op je leven hebben zo banaal zijn in hun kern. But first things first.

Ik werd verliefd.

Vorig jaar liep mijn hart in de paasvakantie Rex tegen het knappe getatoeëerde lijf, een gebeurtenis die zes turbulente weekends zou naslepen en waar ik zes maanden revalidatietijd voor nodig had. Dit jaar werkte een Canadees zich mijn gevoelsleven in.

Twee weken lang ging ik liften doorheen Nederland. Oorspronkelijk wou ik in Utrecht beginnen, maar na een moeizame start en een vergeten afslag kwam ik terecht in Den Haag. De bestuurder vond onze gesprekken blijkbaar even tijdverdrijvend amusant als ik, want bij het uitstappen kreeg ik zomaar eens even vijftig euro cadeau. 
Ik wist niets van Den Haag en kuierde wat door het stadscentrum, op zoek naar interessante persoonlijkheden en pittoreske taferelen. Hoewel er heel wat progressief volk rondliep, was geen enkele persoonlijkheid die mijn pak kruiste interessant te noemen. Uitermate mooie stad, dat wel. 's Avonds fikste ik me een slaapplaats bij een jongen die sowieso eens in zijn leven onbewust een vrouw verkrachten zal en de daaropvolgende dag vertrok ik naar Delft.

'Zoals Amsterdam, maar dan in het klein', werd me verteld. Klein was het inderdaad, en als je met 'zoals Amsterdam' bedoelt dat er grachten zijn en huizen en Nederlanders, dan is het inderdaad zoals Amsterdam. Mijn avondeten werd voorzien door een bejaarde dame bij wie mijn roep naar eten en gezelschap in goede aarde was gevallen. Ze nam haar rollator in de hand en gidste me door de stad. Bij een huiselijk restaurantje trakteerde ze me, en de hartige pannenkoek van die dag heb ik me achteraf lichtelijk beklaagd, want dit zou de laatste gelegenheid voor me geweest blijken te zijn om gezond te kunnen eten.
's Avonds zat ik in een jeugdhuis dat zo goedkoop was dat ik voor de eerste keer in mijn leven zelf in mijn drank van die avond heb voorzien. 1,70 euro voor een glas whisky en 2,5 voor een cocktail - daar kan zelfs mijn financieel geweten geen bezwaren tegen hebben. Die nacht bleef ik bij de tapster slapen, al betekende dat wel dat ik hiervoor terug naar Den Haag moest. Geen probleem, daar wist ik tenminste al waar ik kon liften en was er bananenbrood voor mij voorzien.

Toen ik de dag nadien aankwam in een Rotterdam dat moderner was dan ik me ooit had kunnen voorstellen, legde ik al vrij snel contact met Marisol, een Argentijnse dokter wiens contactgegevens verkeerd uitgewisseld werden en nu enkel in mijn herinneringen een vriendin zal blijven. Ze deelde haar eten en reiservaringen met me en gaf me de gelegenheid nog eens als verstekeling een hostel te betrekken. Terwijl we olijk in de gemeenschappelijke keuken bezig waren met ons avondeten, traden de broertjes Honeywell op. 
Nou, nou, zag zoveel schoonheid er niet veelbelovend uit? Hoewel het langste haar aan de jongste broer toebedeeld was, leek de maturiteit van de oudste beter passend. Marisol gaf me een drankje van 40° en haar zegen, ik sleep mijn woorden, nam mijn schoonheid onder de arm en ging op jacht.

("I was going to talk to you, but then I left and when I came back, you were talking with my brother and all was lost."
"Is that so?"
"Yes. I noticed you checking me out."
"I most definitely didn't check you out."
"You most definitely did."
"You're way too young to notice that.")

Rond drie uur 's nachts, in een kamer gevuld met zeker acht volledig bevolkte stapelbedjes, vond een dame het nodig om de stilte te vervuilen met vragen en mededelingen als 'Are you guys having sex?',  'That's so disrespectful!' en mijn persoonlijke favoriet: 'You should do it in the shower or on the stairs'. Ongelooflijk hoe sommige mensen gewoon geen ruk geven om de nachtrust van anderen.

De dag erna was het hostel volgeboekt, maar de broertjes hadden in ruil voor hun concertje de koppeltjeskamer gekregen. Vanaf het moment dat het tweepersoonsbed vrijkwam, lagen ik Hanlan erin. Het was een zeer gemakkelijk bed. Uitermate aangenaam. Bijzonder comfortabel. Het schijnt dat de hele hostel die avond op de hoogte was van mijn tevredenheid betreffende de kwaliteit van dat bed. 
Na onze uitermate bevredigende dagrust ging Hanlan een ander meisje bezoeken. Ik mocht iets in zijn herinneringenboekje schrijven, dus ik goot de inkt uit in enkele liefdevolle en zorgvuldig uitgekozen zinnen, deed mijn kleren aan en ging naar beneden. In de living kon ik nog een glimp opvangen van hem en het meisje, maar al gauw was dat koppeltje naar een geschiktere plaats verhuisd. 

Nate, de jongste broer, wou de piano in het station bespelen en omdat ik hetzelfde wou doen met hem, bracht ik de volledige avond naast zijn zijde door. Zijn muziek was even passioneel als mijn karakter en toen we 's avonds naar huis liepen, waren onze handen verstrengeld en onze lippen vochtig. Toen we in de gang Hanlan tegenkwamen, besefte ik dat hij nog steeds de meeste liefde in mijn ziel teweegbracht. Ik gaf hem mijn grijns cadeau, hij mij zijn knipoog en ik liep met zijn broer de koppeltjeskamer in, die nu waarschijnlijk hoogtijdagen beleefde. 

Wat er toen gebeurde had zalig decadent kunnen zijn. Had. Als er iets gebeurd was.

Nate was verward en wist niet zeker wat hij wou, maar had vermoedens dat ik dat alvast niet was. Even verward, met een lichtelijk gekwetst ego en ongelooflijk veel goesting wou ik zijn broer zoeken. Die net vijf minuten ervoor vertrokken bleek te zijn. Met dat ander meisje. En de gedachte dat het bed de hele nacht door mij en zijn broer bezet zou worden.

Ah. 

Ik peuterde twee sigaretten los, dronk een halve fles Vermout leeg en maakte halfgedeprimeerd een nachtelijke wandeling met Nate, die zijn stralende humeur niet verloren was. 's Nachts sliepen we samen. Het was pas tegen de ochtend dat ik mijn neerslachtigheid van me wist af te schudden en net op het moment dat ik bereid was Nate wederom te knuffelen zonder enig verlangen naar meer, kwam Hanlan binnen met een meisje aan de hand. Hij kreeg net genoeg tijd om hallo te zeggen eer ik hem vertelde wat er niet was gebeurd.

(Later gebeurden er dingen die mogelijkerwijs een combinatie inhielden van mij, Hanlan en Meisje N°1, maar jullie hoeven niet alles te weten) 

Sinds dat moment bleef ik bij de jongens plakken. We hielden er een luilekkerleventje op na met royaal besmeerde pindakaas-met-hagelslag boterhammen, veel chocola, nog meer muziek, een decadente hoeveelheid seks, een beetje liften en fun fun fun. Rotterdam moesten we gedwongen verlaten - alle hostels waren definitief volgeboekt vanwege een marathon - en ik nam hen onder mijn hoede en naar Breda. Daar leerden ze op straat wat hippies kennen wiens huis altijd voor ons zal openstaan. Vanuit Breda gingen we naar Utrecht en toen het einde van de vakantie in zicht kwam, liften we terug naar Breda. 

Het was twaalf uur 's nachts. We waren weer bij de hippies beland en ik had zin om snel te gaan slapen. Hanlan en Nate waren al een half uur verdwenen in de nacht, waarschijnlijk om wiet te kopen ofzo. Slapen zou fijn zijn. De bel ging, de deur werd opengemaakt, de jongens kwamen naar boven... vergezeld van twee meisjes. Het ene meisje, een Française, hing liefdevol rond Nate. Het andere, Duitse meisje stond naast Hanlan en ik kan jullie bezweren dat er een krijsend RED ALERT signaal in mijn hoofd afging zodra ik haar zag.

Alles werd awkward.

Hanlan zei niets en liep er zo ongemakkelijk bij dat ik mijn toevlucht zocht in sigaretten en eenzame afzondering. Soms moest ik de groep wel weer in, om te drinken, te schijten, me op te warmen en nieuwe sigaretten te stelen. Hij en dat meisje lagen dan steeds in de zetel te flikflooien. Het duurde nooit lang voor ik weer verdween om een beetje gepijnigd te staan wezen op het dak, mijn emoties uitzingend op de mensen die me totaal vergeten leken te zijn.

Nate had een (h)eerlijk emotioneel gesprek met me. Een van de hippies was bezorgd over me. Hanlan wist perfect onbekommerd te zijn totdat zijn broer hem aan mij herinnerde.

Hij vond de hele situatie fucking awkward en wist niet hoe hij ermee om moest gaan. Alvast niet zo.
Hij hield van dat meisje. Dat was duidelijk.
Hij hield ook van mij. Dat wist ik. Maar wist hij dat hij mij het gevoel had gegeven dat ik zijn belangrijkste liefde was?
Dat was niet zijn bedoeling geweest. Hij had me zijn ring gegeven, een gouden verlovingsring met diamantje.
Zij had ook een ring van hem gekregen. Misschien moest hij maar een pak ringen bijkopen, zodat hij elk meisje een gevoel van uniciteit kon geven.
Maar je bent uniek! Spreekt voor zich, maar, Animal Farmgewijs: 'iedereen is uniek, maar sommigen zijn unieker dan anderen.'
Het speet hem. Dat wist ik. Hoeveel meisjes waren er zo nog?
Dat wist hij niet. Hoeveel?
Enkelen. Ik raadde hem aan te leren communiceren als hij niet overmatig harten wou breken en valse verwachtingen scheppen.
Wat nu? Spreken met dat andere meisje.

Het was drie uur 's nachts. Hanlan had het meisje net ingelicht over de precieze omvang van mijn positie en dergelijke en nu was het mijn beurt om te proberen zo snel mogelijk een klik met haar te krijgen, want ik wist hoe deze avond besloten zou worden. Vijftien minuten hebben we gepraat en toen begonnen we met z'n allen aan de slotact van deze überawkward avond.

Bij Meisje N°1 waren de zaken ook aardig geforceerd geweest, maar daar hield ik wel een goed gevoel aan over. Hanlan wist toen zijn aandacht perfect te verdelen, ik en dat meisje probeerden hetzelfde ook bij elkaar en hoewel we niet ver raakten, voelde het kortstondige geheel wel ongedwongen aan.

Nu leek het alsof ik per ongeluk in andermans bed was beland. Een trio zoals Ross had beleefd. Ontiegelijk verveeld en gekwetst tot op het bot zat ik naast een wild vrijend koppeltje naar buiten te kijken en te bedenken dat de maan wel heel mooi scheen die nacht. 

"Did you like it?"
"... A little bit."
"Just a little bit?"
"Yesss. Just a li-i-i-ittle bit."
"... We'll talk tomorrow. I love you. Good night."

En zo geschiedde het dat ik die nacht geen oog dichtdeed, nog eens ging paffen en mijn eigen gevoelens vervloekte terwijl er naast mij gelebberd werd. We lagen op de grond en de kou voerde koppig aanvallen uit op onze huidjes. Omdat ik als eerste was gaan slapen, had ik mezelf in het enige deken weten te wikkelen. Soms leek het alsof iemand anders aan het deken trok, maar een mens heeft af en toe lichte vormen van wraak en een warm dekentje nodig.

Om 8 uur 's ochtends was ik wakker. Als halfbevroren, opgesteven wrak deed ik mijn jas aan en ging op de zetel liggen, ervan overtuigd dat ik mijn Canadese Kariboe finaal kwijt was. Toen een van de hippies 's ochtends een kopje koffie kwam zetten, kreeg hij er gratis een hyperventilerend meisje bij.
Een à twee uur hebben we gepraat. Het was een goed gesprek, over verantwoordelijk zijn over je eigen leven, de plicht naar anderen maar voornamelijk naar jezelf toe hebben om problemen zo snel mogelijk aan te kaarten, open te durven communiceren over je eigen gedachten en verlangens, misschien zelfs bereid zijn problemen in de groep te gooien en er samen over te discussiëren... Ik was nog steeds een wrak, maar ik had mijn hoop terug. 

Ik zette thee voor Hanlan en z'n Duitse liefde - mogelijks gecompliceerde gesprekken voeren doe je pas als iedereen uitgerust is, gegeten, gescheten en gedronken heeft en zich aldus lichamelijk goed in z'n vel voelt - en toen ze wakker en uitgerust waren hebben we nog eens gepraat. Goed gepraat.

Die avond liftten ik en de hele bende naar mij thuis. Daar zijn ze enkele dagen gebleven. Meisje N°1 kwam ook nog eens langs, maar buiten slapen gebeurde er niets in het drukbevolkte bed. Met z'n allen gingen we Meisje N°1 bezoeken in Antwerpen, waar Hanlan eerst haar bed kapot neukte met z'n andere dame en vervolgens zijn acrobatische toeren met mij herhaalde op een scheefgezakt bed. 
Meisje N°1 heeft haar bed zelf nog mogen herstellen, want iedereen vertrok plotsklaps weer naar Breda omdat 'de situatie te onhoudbaar was geworden'. Ffs.

Met een gouden ring om m'n vinger, een Canadese Kariboe in m'n hart en de hoop komend jaar met hen rond te gaan liften in Europa, keerde ik terug naar het normale leven. Doordeweeks tieners opvoeden en in het weekend afspreken met vriendinnen (waaronder Meisje N°1!) en naar psytrancefeestjes gaan. Zo ontmoette ik twee weken geleden mijn Delirium.

(Valse namen verzinnen is altijd lastig. Vaak worden het koosnaampjes, taalgrapjes of subtiele verwijzingen en eigenlijk zou ik je daarom beter Shamrock hebben genoemd. Echter, Delirium is de naam die ik mezelf zou hebben gegeven en, vrouwelijk as it might be, als er een iemand is die mijn naam waard is, dan denk ik dat jij het bent.)

Delirium was geboren in Ierland, sprak heel de avond de coup de foudre die ik bij hem teweeg had gebracht uit in het Engels en wist zich pas 's ochtends te realiseren dat hij het Nederlands minstens even goed beheerste. Ik nam hem mee naar me thuis, waar we een van de luidste, passioneelste en meest awesome vrijages ooit hadden. We namen ons plechtig voor elkaar nog te zien. Nog geen dag later waren we aan het chatten en speciaal voor hem installeerde ik de Skype die ik vanwege Habibi verwijderd had. Elke dag keek ik uit naar onze gesprekken en ik werd me er bewust van hoe hard ik hem miste.

Ik werd verliefd.

Eén dag had ik met hem doorgebracht, elke dag waren we met elkaar in gesprek en ik was verliefd. Zelfs naar mijn normen is dat snel. Omdat ik hem zo miste (en zo benieuwd was naar het effect dat we op elkander teweeg zouden brengen als we elkaar nog eens zouden zien in real life én volledig nuchter) besloot ik om het daaropvolgende weekend al halsoverkop naar hem te liften.

Is het een overdrijving te stellen dat ik nog nooit zo'n goede klik met iemand heb gehad? 

We waren eenzelfde soort cynische hippies, intellectueel aan elkaar gewaagd, verbaal even scherp, onze humor op dezelfde lijn. Seksueel gezien paste alles zo goed dat ik 's ochtends grapte dat ik waarschijnlijk direct zwanger zou raken mocht ik de pil niet nemen, 'want we klikken gewoon té goed'.

Dat weekend deden we nauwelijks iets en we deden het met passie. In bed sluimeren, roken, eten kopen, thee drinken, vrijen, in de zetel lummelen, eten consumeren, vrijen, muziek beluisteren, een geweldige film bekijken, snoepen, roken, de ziel in elkanders ogen mentaal aanraken, vrijen en praten, praten, praten.

Is het een overdrijving te stellen dat ik nog nooit zo'n goede klik met iemand heb gehad?

Na dat oprecht zalige weekend liftte ik weer naar huis, onderweg nog de kop en poten van een halfvergane Canadese gans stelend. In Antwerpen besloot ik mijn avond nuttig te besteden en een vriend te bezoeken, een appelflauwte te krijgen en Hanne te laten delen in mijn geluk. 
Zij vindt Hanlans persoonlijkheid ondergeschikt aan zijn kaakbeenderen en ik begrijp perfect wat ze bedoelt, maar zoals ik tegen m'n Delirium ook gezegd heb: onderschat het belang van goedgevormde kaakbeenderen niet. Anyway, ze was blij voor me dat ik iemand had gevonden met een evenwaardig karakter. Ik was persoonlijk ook blij voor mezelf.

De dag nadien ontvelde ik de schedel, ontdekte dat deze bewoond was door een zwerm maden, probeerde de ganse kudde eruit te halen - eerst manueel, dan met behulp van een pot kokend water - en nu wordt het geheel gepekeld in zout.

Tijdens onze volgende Skypesessie bezwoer Delirium me dat ik niet te verliefd op hem mocht worden. Een zeer vreemde uitspraak, me dunkt, eentje waarvan ik me nu herinner dat Rex die ook geuit heeft. Niet te verliefd worden? Alsof zoiets te regelen valt. Alsof ik niet al verliefd op hem was. Alsof hij niet al verliefd op mij was.
Ik haalde mijn typische grijns weer boven.
"Nee, ik meen het," zei hij, "Je mag niet te verliefd worden op me."
"Sure, sure", dacht mijn hoofd en vertaalde het in een uitgestrekte grijns en twinkelende oogjes.

...

Ik heb het ooit eens meegemaakt dat ik verliefd was op een knappe en toffe jongen en dat het wederzijds was, maar dat die jongen het boeltje prematuur aborteerde omdat hij mijn blog had gelezen, mijn karakter volledig had geanalyseerd en besloten had dat onze liefde niets kon worden en daarom zo snel mogelijk diende te sterven om ons overbodig leed te besparen.
Nu met mijn woorden: het kon niets worden zolang ik poly-amoureus was. 
Dit was een zeer pijnlijke en teleurstellende ervaring.
Nooit gedacht hem zo snel opnieuw mee te maken.

...

Het is fucked-up om me op een piëdestal te blijven zetten terwijl je me net in de vuilnisbak hebt gegooid. Om je leven zo te laten regeren door onzekerheden, angsten en onverwerkte trauma's en zo je eigen en andermans geluk te vergooien. Om je 'klootzak-zijn' als geldig excuus aan te proberen voeren, terwijl het niet meer is dan een met drogredenen gebouwde muur waarachter je je kunt verschuilen voor alle verantwoordelijkheden, voor het besef dat mensen te veranderen zijn en je echt wel bewust keuzes maakt.

Het is fucked-up dat jij, die anderhalf jaar alleen bent gebleven en nu niemand anders heeft, de zekerheid van de eenzaamheid verkiest boven de onzekerheid die elke liefde, doch zeker de mijne, teweeg brengt. Dat je niet bereid bent alles even z'n beloop te laten, wat weken/maanden af te wachten en te zien wat we dan voor elkaar betekenen. Dat je me niet eens de mogelijkheid hebt gegeven iets aan dit lot te veranderen.

Het is fucked-up om je soulmate gevonden te hebben en zo snel te verliezen.

Teleurstelling alom.

Edoch, zoals mijn hippievriend in Breda zei: we zijn permanent verantwoordelijk voor ons eigen geluk. Jij hebt mij behoorlijk schaakmat gezet en ons geluk ligt nu integraal in jouw handen.
Doe me een plezier en weet het te redden.

Ik hoop dat je genoeg kracht in jezelf vindt om van mij te houden, want ik hou verdomd veel van jou.

Liefs

D.
(Jouw vrije, Vlaamse vogel)

zaterdag 4 maart 2017

De vettigste avond van 't stad

Het is nu al bijna een jaar dat ik probeer in elk weekend een feestje te proppen. Psytrance blijft de absolute favoriet, maar soms glipt er een druppeltje nostalgische metal bij, kruipt er eens wat drum and bass tussen, probeert een hardnekkig overblijfseltje punk te overleven of wordt de vrijdag -of zaterdagavond onverwachts gekidnapt door techno, acid, house of, godbetert, hyperactieve Balkan-hoempapa.

En dan gebeurt er ook eens dit.

Op donderdagavond zag het komende weekend er betreurend blanco uit, dus ik checkte alle evenementen waar ik me als 'geïnteresseerd' op had gezet, wel beseffende dat ik voor de meeste van die events evenveel interesse had als een onenightstand in het ontlokken van een vrouwelijk orgasme. Doch zie hier: een verkleedfeestje dat zo onuitstaanbaar extravagant marginaal is dat ze volk proberen te klissen door gratis Cara's aan te bieden. Gratis. Cara's.

Perfect.

Zonder enig benul te hebben van de muziekstijl wist ik mijn Hannepoep (die met haar mix van rationele en creatieve genialiteit de kranten heeft gehaald, de kranten die zo stupide zijn dat ze nergens gewag hebben gemaakt van haar site) te motiveren onze vrijdagavond gezamenlijk te verzuipen in een naar Cara-meurend bacchanaal. 

Rond vijf uur liftte ik naar Antwerpen, waar ik naar goede gewoonte een uur in de file zat en naar nog betere gewoonte bij Hanne ontvangen werd met de figuurlijke talloor al op tafel. We gingen haar sjoe even bezoeken in de taverne achter de hoek en terwijl hij overuren klopte, goten wij woordelijk wat van de essentie van ons bestaan in de ander over, een nooit volbrachte handeling die mijns inziens vriendschap definieert. 
Toen de muziek te hard op ons gesprek begon in te beuken, vluchtten we terug naar de kalme gezelligheid die een kop versgezette thee (met gember!), een gemakkelijke zetel, een warm dekentje en door David Attenborough ingesproken natuurprogramma's aan te bieden hebben. 
We zaten er zo verdomd cosy dat het tamelijk wat wilskracht kostte om de kat samen met het deken van de schoot te werpen en de voorverwarmde zetel in te wisselen voor een nacht die nog niet begrepen heeft dat de lente in het verschiet ligt. Hanne twijfelde zelfs nog het feest te laten voor wat het was terwijl we al op de tram stonden te wachten.

We moesten zo'n tien minuten op de tram wachten. In die tien minuten was ik zo lomp geweest om oogcontact te maken met een overdreven vrolijk en volslagen labiel mannetje, dat hierin de start zag van zijn avondlijke bezigheidstherapie, onvrijwillig door ons voorzien. 
Hij wou een thumbs up. De bevestiging dat we vrienden waren. Nog een thumbs up. Een vuistje. Wederom bevestiging. Een knuffel - die hij niet direct van Hanne kreeg, waarop hij wegliep en al grienend terugkwam. Bevestiging. Knuffels. Op onze schoot proberen zitten. Eisen dat ik - die op dat moment serieus aan het overwegen was om me strategisch achter de obvious meelevende ne... Afrikaan van zwarte origine te verschansen - op Hannes schoot ging zitten.

Gek hoeveel opluchting een naderende tram verschaffen kan.

Nog steeds in een lichtelijk opgefokte state of mind verlieten we de tram, richting Zappa. Achter ons waggelde een bezopen groepje minderjarige marginalen, het soort mensen waardoor je spontaan sneller begint te stappen. Hanne legde onmiddellijk de connectie tussen hen en het feest waar ze steeds minder zin in kreeg, ik wou het nog even afwachten. After all, op de meeste feestjes glibberen er wel enkele randdebielen in. 
We besloten ons aan de ingang te placeren en de marginaliteit van de bezoekers te beoordelen. 
Het feest was twee uur aan de gang en op de stoep zat een puberaal wicht volledig ineengezakt, reeds lamgeslagen door de alcohol. Enkele andere minderjarige fans van bingedrinking kwamen aangestrompeld in het soort kleren dat nonkel René best wel hip vond in de jaren '80. Een obees kerstmanpak van minstens veertig jaar verliet de zaal. De Cara's lagen losbandig her en der verspreid en het jeugdige testosteron stond te popelen om hun beschonken zijn te upgraden naar total loss scheefgaan.

Het lijkt misschien gek om een variatie te maken in marginaliteit, maar... dit waren geen 20-plussers die zich op een gecontroleerde manier eens volledig ongebreideld decadent wilden amuseren op een scheef feestje. Dit waren onervaren tieners die de hoeveelheid geconsumeerde alcohol gelijkstelden aan verworven coolnesspunten en een evenredig stijgende reputatie. 

Ze gilden, giechelden, gierden en brulden, niet omdat ze iets wezenlijks te vertellen hadden, maar omdat ze de wereld luidruchtig wilden verzekeren dat ze bestonden en belangrijk waren. Ze kwamen beschonken toe, met de Cara's en de goedkoopst mogelijke flessen witte wijn in de hand, niet omdat ze waardering hadden voor de smaak van alcohol, maar omdat ze hiermee hun maturiteit wilden bewijzen. De avond was voorbestemd om in black-outs, kotspoeltjes en ongeëvenaarde katers te eindigen.

Ik en Hanne kozen het hazenpad en werden in onze vlucht nog nageroepen door drie jongens wiens schaamhaar net was beginnen te groeien, en die daardoor het mannelijke recht hadden verworven ons te imponeren met hun ongeciviliseerde boertigheid.

Teleurgesteld en verbouwereerd door de geziene horror reed de tram ons terug naar ons beginpunt, de wandelende en fietsende hoopjes druktemakende zattigheden snel achter zich latend. Daar stonden we toen voor een minuut stil. 
In die ene minuut was Hanne zo lomp om oogcontact te maken met en te zwaaien naar het overdreven vrolijke en volslagen labiele mannetje, dat dit als het sein opvatte om het koppeltje naast hem met rust te laten om op de tram te proberen komen. Het koppeltje vond dit duidelijk een van de positievere wendingen van hun avond en probeerde hem uit te leggen hoe de deuren open te doen, wat hen op een overdreven gesticulerende 'nee' en een middenvinger van mij kwam te staan, wat mij dan weer een uiterst expressieve 'wij willen hem kwijt'-blik en een middenvinger opleverde, wat resulteerde in unieke middenvingerbewegingspatronen van beide kanten. Uiteindelijk reed de tram door en werd onze woordeloze opluchting in het glas gespiegeld tegen hun woordeloze wanhoop.

We kuierden daarna een beetje doelloos in Antwerpen rond.

Ik wou de avond nog niet opgeven, maar geen van beiden had zin om naar een dancing of café te gaan, het was te koud om buiten te blijven en er was geen enkele jongen in de buurt die mijn interesse wist op te wekken. Ook werden er nog twee opmerkingen naar ons gegooid door mannen die aandacht te kort kwamen, en toen besloten we gezamenlijk dat er iets in de lucht hing wat de stad vijandig en ongastvrij maakte, dat er die dag niets leuks meer te beleven zou zijn en dat we beter af waren thuis.

Toen we de Groenplaats verlieten was ik druk bezig een betoog te houden waarom het gemakkelijker is te bedelen als avonturier dan als werkelijk dakloze of/en vluchteling. Toen ik op reis was, kreeg ik zonder veel moeite te doen eten, drank en slaapplaatsen aangereikt en de schaarse keren dat ik een bedelaar geld heb gegeven, waren het altijd mensen die normaliter wel geld hadden, maar door een jammerlijk toeval enkele euro's te kort kwamen. 
Volgens Hanne komt dit omdat mensen zich oncomfortabel voelen bij het zien van echt leed en ervoor opteren deze smet in hun realiteit te negeren. 
Volgens mij komt dit omdat de tijdelijke avonturiers met hun enthousiaste optimisme beter mensen kunnen overtuigen dan de permanente daklozen die alle hoop verloren zijn.
We waren net klaar met discussiëren toen we over de Meir liepen en door een man aangesproken werden.

Of we wat geld hadden. Hij had een baby van drie maanden en geen gespecialiseerde babyvoeding, een product dat op dit uur (ongeveer half twee) enkel verkocht werd in de apotheek van wacht, in de Brederodestraat, voor 22 euro. Hij stond al zes uur te bedelen en hij had slechts enkele euro's verzameld, en de apotheek zou om drie uur sluiten. Coke had men hem echter wel aangeboden, maar dat moest hij niet hebben, al had hij vroeger veel gedaan. Bedelen op de Groenplaats durfde hij niet, want de kans om door de politie opgepakt te worden was daar veel groter, en dan konden ze hem voor 72 uur opsluiten, wat een langere termijn was dan voor een dronkaard. Aan zijn rugzak had hij een tut gehangen zodat hij, naast de herinnering van de laatst geziene glimlach, altijd iets van zijn kind bij zou hebben.

Hoewel er een zekere radeloosheid over hem hing, blonken zijn ogen, sprak hij met zelfvertrouwen en kwam hij enorm spontaan en oprecht over. We gaven hem beide enkele euro's en hij verhaalde de meest recente episodes uit zijn leven.

De moeder van zijn kind was gestorven in het kraambed, omdat ze bleef bloeden. Zijn neef hield de baby bij hem thuis, maar wou geen geld voorschieten. Hijzelf leefde in een kraakpand. Zijn onderburen in het kraakpand hadden door onhandigheid bij het opwarmen van bepaalde drugs het huis in de fik gezet. Hij was door het raam gesprongen met zijn baby in de armen en was op een politie-auto beland. Het glas zat nog steeds in zijn arm - hier, voel maar eens - en hij had het er tevergeefs proberen uit te snijden.

Hanne nam haar portemonnee er weer bij en gaf hem het resterende bedrag.

"Oh, bedankt, je bent een schat!"
En hij ratelde verder.

Hij - Nathan, aangenaam - had in kraakpanden geleefd in Berlijn en zelfs in Sint-Niklaas. Daar had hij in het koopcentrum in de Swarovski ingebroken, niet om te stelen, maar om zich uit protest tussen de juwelen te vleien en te slapen. Iemand had hem nieuwe schoenen gekocht omdat zijn voeten door zijn oude doorstaken. Hij had de draak van The Neverending Story op zijn penis getatoeëerd, 'cause it's neverending. Boven zijn kont stond dan weer een vlieg, want 'smack it'. Of we single waren?

Terwijl Hanne ontzettend kritisch het gesprek beoordeelde (Ik bied aan om mee te gaan naar de Brederostraat en dat wimpelt hij af? Ik geef hem keiveel geld en in plaats van direct te vertrekken, blijft hij praten? Voor iemand die geen drugs nam stond hij wel ontzettend strak. Op een politie-auto belanden? Door het raam springen en slechts aan één arm wondes hebben?) was ik aan het overwegen hoe aangenaam seks met Nathan zou zijn.

Ja, hij stond tamelijk strak voor een drugsloos persoon - maar misschien had zijn eerdere misbruik gezorgd voor blijvende schade? Ja, hij vertelde wel héél straffe vertalen - maar wie ben ik om zijn woorden in twijfel te trekken? Hij was volledig mijn type, een beetje een bad-boy van het alternatieve 'ik sta buiten de maatschappij'-genre. Zijn ogen openbaarden het soort ziel waardoor ik me gaarne laat verleiden. Hij stond vrijzinnig tegenover seks en kwam waanzinnig chill over. Maar...

Hij moest nog vrij ver wandelen. 
Om eten te halen voor zijn babydochter. 
Terwijl hij ergens in een kraakpand woonde.

En hij had korte benen. Ik probeer nog steeds een methode te ontdekken om erachter te komen hoe aanvaardbaar iemands penis is zonder dat 'ie z'n kleren uitdoet, en al mijn methodes (zijn lichaamslengte, mannelijke kenmerken zoals baardgroei, zware stem en brede schouders, hoe groot de klik tussen ons is...) blijven falen, maar korte benen, nee, dat betrouw ik helemaal niet. 

Mocht ik hem ontmoet hebben op zijn kraakpand, dan had ik niet getwijfeld. Maar als ik moet kiezen tussen de knusse zekerheid die mijn beste vriendin me te bieden had en in het donker meegaan met een interessant, maar niet volledig koosjere onbekende naar godknowswhere?

(Ik had echt wel door dat ge aan het twijfelen waart, maar ik had u niet met hem laten vertrekken. Nummers uitwisselen, oké, maar hoe die gast nu bezig was... Er was iets loos aan hem. Die had sowieso heel weinig rekening met u gehouden en ik had u niet met hem mee laten gaan.)

Hanne kroop bij haar sjoe in bed, ik nestelde me knusjes in de zetel en voelde me weer gelukkig, zelfs al wil de fwb waar ik de beste seks mee heb mogelijk een relatie opstarten met een meisje dat vooralsnog niets van mijn bestaan afweet - ja, ze hebben al seks - en zit de fwb waar ik de meeste gevoelens voor koester zo hard met zijn ziel in de knoop dat hij weinig rekening kan houden met de mijne. Ach.

Masturberen terwijl je intens door een kat aangekeken wordt is ook charmant.

vrijdag 2 december 2016

Requiem voor een grootvader

Twee jaar geleden is mijn grootvader rond deze tijd overleden. De vader van mijn vader stierf toen ik een leeftijd had waarvan enkel getraumatiseerde mensen als Jeroen Brouwers herinneringen aan kunnen koesteren, met als gevolg dat ik maar één grootvader actief heb gekend, en dat was pépé.

Hij was een zachtaardig man, met van die typisch goedlachse 'leuke opa'-ogen. Als vader schijnt hij in een voor mij van context gespeende woedeaanval een van mijn moeders poppen in het haardvuur te hebben gekeild - hét voorbeeld dat mijn moeder steeds weet aan te halen als ik haar ter verantwoording probeer te roepen van mijn eigenste jeugdtrauma's - maar zelf heb ik hem nooit boos geweten. 
Hij was zwijgzaam, dus zijn gevoelens waren sowieso moeilijk te peilen, maar hij leek continu in een staat van kalme, innerlijke vrede te leven. Nooit voelde hij de drang om het laatste, luidste woord te hebben. Ik ben ervan overtuigd dat hij over alles een mening had, een zorgzaam opgebouwde en zeer uitgesproken mening, maar dat de zin en de last van het discussiëren hem al lang geleden vergaan was. Als mijn oma, mijn moeke, hem al eens lichtjes onder zijn voeten gaf, glimlachte hij braafjes, hoogstens replicerend met een kwinkslag.

Ik heb hem gekend toen hij nog gewoon kon wandelen en we af en toe op zondag, na de mis, naar Antwerpen treinden om in de Pizza Hut te eten - waar hij standaard voor het buffet, een cola en een koffie koos. Naast het klassieke cavaatje op oudejaarsavond heb ik hem zelden iets anders zien drinken. Een zoetekauw, dat was hij, en hij bleef altijd als een kind genieten van chocolade, Chocotoffs, een paar bolletjes vanille-ijs en, zijn favoriet, pepermunt. Volgens mij verliet hij nooit het huis zonder een rolletje Mentos (en een pak roltabak) in zijn broekzak. En als hij een Mentosje nam, wenkte hij alle kleinkinderen bij hem en stak hen knipogend een snoepje toe, als een zichtbaar verbond der zoetekauwen.
Hij en moeke woonden groot toen. Twee verdiepingen, een gazon omringd met struiken en bekroond met een boom, eindigend op een moestuintje waaruit hij elk jaar wat rabarber voor ons opdiste, terwijl ik zelf stiekem steeds wat bieslook stal, in de grond wroette naar vergeten aardappelen en in de regenton muggenbaby's probeerde dood te slaan.

De teloorgang van zijn wandel was het eerste teken van zijn ouderdom. Halsstarrig weigerde hij het gebruik van een wandelstok, tot het punt waarop dat eigenlijk zelfs geen soelaas meer bracht. Het huis werd opeens te groot, maar het was voornamelijk de zorg voor de tuin die hen dwong hun oude dag op een andere plaats te slijten. 
Hun woonst werd verkocht, de struiken uit de grond getrokken en de boom verdween ook op een illegale manier - het laatste restje van mijn kindertijd is daar gebleven en zweeft waarschijnlijk nog steeds bij de rabarbers, meikevers en de lapjeskat van de buren rond. 
Hierna hebben ze een jaar in een mooie, chique loft gewoond, maar ik heb me daar nooit zo geamuseerd en thuis gevoeld als in de woning die ik voor eeuwig met hem zal associëren. Uiteindelijk werden ze gedwongen wederom te verhuizen, en hoewel hun nieuwe verblijf modern, comfortabel en mooi was, begon pépé toen de controle van zijn lichaam te verliezen.

Hij kon niet meer gewoon stappen. Hij schuifelde eerder, alle kracht die in zijn lichaam restte gebruikend om zijn ontwortelde voeten een schamele decimeter naar voor te krijgen. Van een rolstoel moest hij niet weten, maar nadat moeke een paar keer bezorgd gebeld had omdat ze ergens op een bankje vast zaten, omdat hij letterlijk geen voet verzetten kon, wist hij daar uiteindelijk ook niet aan te ontkomen. 
Volgens mij begon hij zich toen pas heel oud te voelen, met een brein dat zo vlot was als een politicus voor de verkiezingen en een lichaam dat het verdomde mee te werken... Tot ook zijn geest mistig begon te worden. Hij vergat namen. Hij wist niet meer waar hij was. Hij haalde herinneringen door elkaar. Hij wist niet meer een volwassen zoon abrupt te hebben kwijtgespeeld.
Soms probeerde hij nog iets van zijn verloren zelfstandigheid te recupereren, trachtend een fysieke inspanning te leveren waar zijn lichaam niet meer toe in staat was. En dan viel hij op de grond, wachtend tot moeke hem vond en voldoende mankracht bijeen gebeld had om hem op te tillen en terug in zijn rolstoelkerker te plaatsen, want daar had zijzelf helemaal geen kracht meer voor. Er kwamen verpleegsters en kinesisten. Iets redden konden ze niet, wel het noodzakelijke kwaad zo lang mogelijk vertragen. 

Pépé sliep de laatste maanden van zijn leven alleen. De slaapkamer was een verdieping hoger genesteld en zonder een of andere vikingtraplaft geraakte hij nooit naar boven. Er werd een eenpersoonsbed beneden geplaatst, dat later nog voorzien zou worden van gespen om mijn opa in vast te snoeren. Zodat hij er niet uit zou vallen. Zodat moeke veilig was voor zijn onvoorspelbare karakter, dat nu zowaar soms agressief begon te worden. Hij schold mijn oma de huid vol, voor de eerste keer in hun huwelijk, en hij probeerde haar ook te slaan. Nadien herinnerde hij ook hier niets meer van.

Soms lag hij 's nachts te huilen en te roepen. Naar haar. Naar zijn eigen moeder.

Mijn goedgehumeurde en immer vrolijke zoetebek werd in een rusthuis geplaatst. Vierde verdieping. Afdeling dementie. En ze deden hun best, de verplegers en verpleegsters, maar de bewoners stootten me af, met hun gekrijs, gebrabbel, geschreeuw, gekwijl en geschijt. 
Een vrouw die ooit iemand was geweest kon nu niets anders meer dan 'Namnam' zeggen, wat dan ook haar bijnaam werd onder bezoekers en personeel. Er waren bewoners die nog minder konden dan zij. En mijn opa, die zat daar maar in zijn rolstoel, wachtend zonder tijdsbesef en zonder doel. Moeke kwam elke dag, mijn moeder enkele keren per week en ik vermeed het als de pest. Niemand had me ooit kunnen voorbereiden op hoe het zou zijn om helemaal alleen te praten tegen het vertrouwde, maar oh zo uitgemergelde lichaam van mijn opa, die op dat moment misschien niet eens meer wist wat de correlatie tussen ons beiden was en wiens gebrekkige herinneringen hem nu dwongen tot nog meer zwijgzaamheid, die me met tranen in de ogen aankeek terwijl ik hem hakkelig wat onzinnige anekdotes van mijn leven toevertrouwde en hem de stamboom van de familie aanreikte die ik voor hem had gemaakt, alle voor hem ooit zo vertrouwde gezichten aanwijzend, terwijl de zaal stonk naar urine en roemloze ouderdom en er rondom ons door nog verganere lichamen luidruchtig in de pamper werd gekakt, geschreeuwd, gevloekt en genamnamd. Onwezenlijk.

Hij kon geen Chocotoff noch Mentos meer eten, want hij zou zich erin verslikken. Chocola en ijs ging nog wel, maar dan wel enkel pietepeuterige babyporties. Moeke vertikte het om de tabak te kopen die zijn falende longen nog harder zou belasten, dus naast zijn persoonlijkheid en menselijke eer was hij ook het genot ontlopen. En zo stierf hij, in een bed dat niet het zijne was en in een deserterend lichaam vol doorligwonden.

In de oorlog werd hij als kind bijna doodgeschoten omdat hij een aardappel stal.

Zijn lijk werd, zoals het in onze familie blijkbaar de gewoonte is, opgebaard. Ik ging tegen mijn goesting erheen en wonderbaarlijk, de atomen die daar in de kist lagen leken zelfs nog minder op mijn opa dan ervoor al het geval was geweest. Een slecht geboetseerd wassen beeld waar ik me niet verbonden mee voelde, meer bleef er niet over.

De afscheidsplechtigheid liep uit, maar er werden veel foto's van hem getoond die ik nog nooit gezien had. Hij als kleine jongen naast een onbekende volwassen man waar ik blijkbaar genetisch materiaal mee deel. Zijn broers en zussen. Hij en moeke in een ver verleden van sepia. Hij als volwassen man. En dan het aspect van zijn leven waar ik affiniteit mee had: hij als grootvader, netjes in een donkergrijs pak gestoken, met grijzend of wit haar, lachend naar de persoon die achter de lens stond. 

Ik had ook een tekst geschreven. Uiteraard.

Dag pépé en vrienden van. Er werd me gevraagd om als jongste kleinkind een tekstje te schrijven en het eerste waar ik aan dacht waren de feiten uit jouw leven: Wat weet ik van jou als mens? Je jeugd, de Tweede Wereldoorlog, je job, je filosofieën – zaken waarover jouw kinderen daarjuist gebabbeld hebben - en ik moet toegeven dat ik daar als kleinkind heel weinig van afweet en wat ik weet, heb jij me niet verteld, dat hebben anderen gedaan. Ik denk, pépé, dat jij over alles een uitgesproken mening moet hebben gehad, maar je liep er niet mee te koop. Tijdens lichte discussies op feestjes bij ons thuis, zat je daar, in de gemakkelijke zetel, van je koffie of cola te nippen, met in je mond de nasmaak van het taartje of chocolaatje dat je net naar binnen had gespeeld, want je was net zoals ik een enorme zoetekauw, en je luisterde naar de mensen, wat ze zeiden, actie, reactie, ondertussen rustig een safke rollen – ik zie het u nog zo doen: papier openen, tabak erin strooien, papier rollen, je lippen even als prit gebruiken, voila, perfecte sigaret - en dan opeens hoorden we dus vanuit jouw hoek één zin die de discussie in werd geworpen. Eén zin die jouw mening compleet omvatte. En dan stond je op om in de tuin je sigaretje te roken, de discussie latend voor wat het was. 

Als kind vond ik dat geweldig, met zo weinig woorden me toch veilig en geborgen laten voelen. Jij bent een van de weinige volwassen uit mijn leven geweest die me nooit heeft gekwetst, die nooit over onbenulligheden gezeurd heeft, nooit heeft geroepen en die me zelfs nooit heeft gestraft – als ik al eens berispt moest worden, dan nam moeke dat wel voor haar rekening. Jij was degene die de berisping zou milderen, met een knipoog en een mentoske. 

Als volwassene, toen jij in het rusthuis zat, kon ik niet zo goed met die stilte overweg. Het was niet dezelfde, gezellige stilte van vroeger. Het was een gedwongen stilte van een man die ergens zat waar hij niet wou zijn – een zottekot, zo noemde je het rusthuis, en ik geef u gelijk -, een man die aan het aftakelen was en het wist. Je had vlagen van dementie, maar je hebt alles beter beseft dan we hadden gewild. En dan zat ik daar, onwennig, niet wetend wat te zeggen, met enkele ideeën om te doen, maar de stamboom van de familie is het enige wat ik uitgevoerd heb en ik denk, hoop, dat je er iets aan gehad hebt. 

Jouw laatste jaren waren niet de beste uit je leven en ik heb besloten deze dan ook ver weg te bergen in mijn geheugen. Voor mij zal je altijd wonen in de Lucasstraat en je zult wandelen, misschien met een stok, maar je wandelt zelfstandig en je haalt een pattat uit de grond, maakt een babbeltje met de buren, bakt frietjes, rolt sigaretten, eet ijsjes mèt aardbeien erbij, met liefde door moeke gemaakt, bekijkt samen met ons weeral die ene video van de troetelbeertjes en de smurfen en je wandelt, wandelt en fietst, je fietst naar de kerk en daar zal ik zijn, met scheve tanden en vlechtjes in het haar en je lacht naar me en knipoogt en je haalt uit je broekzak het rolletje mentosmuntjes. Eentje voor mij, eentje voor mijn zus en eentje voor jezelf.

Moeke heeft me na zijn dood nog wat van de resterende rolletjes Mentos gegeven. Alles heb ik opgesmikkeld, maar als je goed zoekt in mijn archeologische site zul je nog ergens een rolletje vinden waarin één Mentosje bewaard is gebleven.

Nu ga ik nog even de stad in, op zoek naar menselijk contact en iemand die mijn gebroken sigaret kan omrollen tot een nieuwe.

Slaapwel.

donderdag 10 november 2016

Tijd om de rugzak in de tuin te gooien

"Do you have a place you can go to?"
Ik zoog sissend een teug Belgische lucht naar binnen en dacht na.
"Well... I'm not sure. My kinda ex- not ex-boyfriend lives there, buuuuuut... he's an asshole and I tend to give him more human credibility than he deserves."

...

Drie dagen geleden vertrok ik met de eerste ferry uit Samothraki, waar ik een ritje naar Thessaloniki wist te bemachtigen. Daar aangekomen bezocht ik onmiddellijk mijn vriendin, het meisje dat me normaliter de dag voordien het eiland uitgesmokkeld zou hebben op de achterbank van haar auto. Ze herenigde me met mijn geitenschedels, zette, niet hoofdzakelijkerwijs bij mij, piercings en tatoeages en nodigde me uit te blijven slapen. Een beetje rust voor de race beginnen zou.

's Middags verliet ik Griekenland en spurtte door Macedonië, Servië (waar we friggin' vier uur moesten wachten bij de grenscontrole, terwijl we de douanepostjes al konden zien. Ik heb deze tijd benut om te slapen, Thor om de grens te bekogelen met fikse regenbuien, knallende donderscheten en hemelverlichtende bliksems), Hongarije, Oostenrijk, back to Brno.
Een etmaal na mijn vertrek liep ik de vier etages omhoog, hopend mijn vrienden thuis aan te treffen. Een van hen, de jongen die quite obvious met mij vrijen wou, was inderdaad aanwezig, maar de ander, de jongen met wie ik effectief gevreeën had (en nog goed ook), had mij blijkbaar ter inspiratie genomen en was naar Zwitserland vertrokken. 

Bummer.

Ik monsterde de jongen en vroeg me af of er enig plezier te behalen viel mocht ik barmhartige Samaritaan spelen. We spraken af om nog eens absint te drinken, straks, als ik een beetje uitgerust was. Ik vlijde me neer op de zetel, zag die blik in zijn ogen, glimlachte, viel in slaap en werd zo'n zeven uur later wakker in een donker en eenzaam huis. Natuurlijk hadden de jongens mij niet nodig om te pintelieren. Ze kwamen een half uurtje daarna toe, lichtjes beschonken en uitermate vrolijk. Ik deelde in hun vrolijkheid en nicotine en even later sliepen we weer in. De ochtend erop was mijn vriend al naar zijn werk vertrokken.

Mijn reis werd verdergezet in hetzelfde tankstation dat me enkele weken ervoor in Wenen had gebracht. Nu reed ik door Tsjechië, motherfuckingbigass Duitsland en Nederland, naar België toe - ditmaal zonder een chauffeur tijdens het rijden een tsjoek op z'n bakkes te hoeven verkopen, thank god. 

Het was duidelijk dat mijn huidige chauffeur mij ook zag zitten, maar, ondanks zijn vrij aimabele karakter, werd hij te oud bevonden om erop in te gaan. Hij reed naar Leuven en het was de bedoeling dat hij me op een tankstation zou dumpen voor we de afslag naar Antwerpen bereikten. Dit plan faalde jammerlijk toen die afslag opeens opdook en we hem rechts lieten liggen - en dat terwijl de gps zo fancy was dat je maar op een knopje moest drukken om alle komende tankstations te zien verschijnen. Tiens tiens. 

Mijn chauffeur wou me in Leuven afzetten, een treinkaartje voor me kopen, een hotel voor me betalen en me waarschijnlijk het liefst van al in zijn bed afzetten. Ik zat verveeld met de situatie.

Wekenlang had ik bij vreemden geslapen, in hun bed of zetel, op de grond, in een tent, op een strand, in een park... en nu leek mijn limiet te zijn bereikt. In mijn eigen bed of bij vrienden, niets meer, niets minder. Met de trein geraakte ik op dit uur nooit ofte nimmer thuis. Liften naar A'pen leek me een onnodig gecompliceerde bedoening - iets waar ik veel te afgepeigerd voor was. Hierdoor viel echter mijn eigen huis en dat van schattepatat Hanne weg.
In Leuven had je de Bereklauw, maar ik had er eventjes genoeg van om met hippies joints te roken en in geïmproviseerde huizen te slapen. Helena betrok daar ook haar kot, maar studenten hebben de neiging om in de grote vakantie terug naar hun ouderlijk nestje te vliegen. Dat van haar was in Mechelen gebouwd en hoe the fuck moest ik daar geraken met mijn huidige luiheid? 

We passeerden een groot, reflecterend blauw verkeersbord waar de afslag richting Leuven vergezeld ging met Brussel.

Ik zuchtte.

Als je dit, dat en deze opnieuw leest, is het misschien een terechte vraag WHY THE FUCK ik er nog maar aan dacht om bij Rex aan te bellen, de tot kennis gedegradeerde hartstocht die geen empathie, begrip, geduld noch elementaire beleefdheid voor mij over had. In de paar weken waarin we intensief gedatet hebben en ik de best mogelijke versie van mezelf probeerde te spelen, besloot hij dat systematisch psychologisch geweld in een door hem gevoerde emotional warfare veel cooler was.

De laatste keer dat ik hem zag, was de dag na mijn overdosis. Hij haalde me met zijn moeder op van het ziekenhuis zodat ik op eigen tempo kon bekomen bij een vriend van hem, en zowel zijn moeder als zijn vriend hebben zich een paar keer serieus kwaad moeten maken tegen hem opdat hij zich iets menselijker tegenover mij zou opstellen - zonder succes.
In de paar uurtjes dat ik op de zetel lag uit te hallucineren heeft hij mijn achterlijkheid een dozijn keer uitgedrukt, verweet hij me meerdere malen het feestje volledig verpest te hebben, schoof de straf en de toorn die de organisator (die ook degene was geweest die mij ondoordacht een volledig zakje ket in de onervaren handen had gestopt) van zijn ouders ontving in mijn schoenen en verklaarde drie keer hoe goed het was dat ik niet was gestorven, omdat ik die arme jongen anders nog belast zou hebben met een heleboel administratieve shit.

Ik liet het allemaal maar over me heen gaan. Voor het leeuwendeel kon ik mezelf ook vinden in zijn rant, alleen had ik er op dat moment echt geen behoefte aan. Wie ooit een fikse kater heeft gehad, erkent waarschijnlijk wel het nut van een bezorgd preekje betreffende alcohol, maar dan wel op een andere tijd dan wanneer het maagzuur naar uw kotsmisselijke keel kruipt en men glazen flessen in uw hoofd kapot slaat. Beginnen spreken over de valse borsten van het meisje waar je die nacht mee geslapen hebt, is ook een redelijke no-go.

"Waarom?", vroeg hij.
"Ik ben rationeel", zei hij.
Sure. De (emotionele) intelligentie van een zoetwatermossel die in de Atlantische Oceaan beland is, that is. 

Dus WHY THE FUCK dacht ik erover hem te storen met mijn aanwezigheid?

Ah. Wel, hij heeft me die hele middag, as usual, verbaal door het slijk gehaald en al zijn negatieve energie op mij geprojecteerd, doch, toen ik vertrok en iedereen ter afscheid een knuffel gaf, veranderde hij. Zijn haat glipte even weg, wat te merken viel aan zijn zachtere blik en houding. De knuffel die we uitwisselden was intens en oprecht. "Wees voorzichtig", zei hij gemeend bezorgd.
Ik had me toen aan hem willen vastklampen, aan die jongen op wie ik verliefd was geworden, de integere, grappige, intellectuele knapperd die mij met de vereiste zachtaardigheid en liefde behandelde en waar geen grammetje klootzakkerigheid in te bespeuren viel. In plaats daarvan grapte ik 'Altijd, je kent me toch?' en wandelde vermoeid weg. De dag erna stuurde hij geheel onverwachts een sms'je om te vragen hoe het met me ging.

Mixed signals.

Mij de hele tijd woordelijk uitschijten, beschimpen, vernederen en kleineren. Bezorgdheid tonen. Tegen me schreeuwen omdat ik hem teleurstel. Me knuffelen en me bezweren dat hij voorzichtiger zal zijn. Me continu het gevoel geven dat alles, alles wat ik doe of nalaat een teken is van vergevorderde intellectuele ontbinding in mijn begaafde brein. Vragen of ik een nacht langer bij hem wil blijven. Me negeren. Me vastgrijpen en kussen.

Mixed feelings.

Hij walgt en houdt van mij.
Ik hou van hem.
Tja.

...

"Can you stay with him?"
"I don't know. I... Honestly, he's so fucking unpredictable. He might say yes. He might say no."
"Soooo....?"
"...I'll call him and find out. Though I need to find my phone first... I'm pretty sure I didn't actually lose it, but I haven't seen it in days. It's probably somewhere in my backpack. Or in this bag. Yeah, probably this bag. You know this is completely filled with skulls? It's probably beneath them."

Bij het volgende tankstation stopten we en, terwijl ik de voor mij gekochte Jupilers opdronk, haalde ik mijn geitenschedels uit de zak - tot amusement van de chauffeur - en wist er mijn gsm uit te grabbelen. Mijn vader had me nog eens vermanend ge-sms't, of ik hen alwéér negeerde and so on en ik vroeg me af why the fuck de wereld me niet met rust kon laten.

Ik belde Rex en botste ogenblikkelijk op de voicemail. Shit. Hoewel ik wist dat zijn gsm afstond, belde ik plichtmatig nog een keer. Verdomme. Dit maakte de boel nodeloos risicovol.

"And?"
"I can't reach him."
"So, what are you going to do?"
"Well, I can try it and risk having no sleeping place at all, or I can try to hitchhike back home."
"I can always pay for a hotel room or..."
"No. Fuck that shit."
"..."
"I'm taking the risk. Bring me to Brussels."

Op eenzame momenten had ik mezelf het pleziertje gegund te mijmeren over een hereniging met Rex die leuk zou eindigen. De maanden in afzondering hadden de gemoederen bedaard, de herinneringen verzacht en hij zou effectief blij zijn me te zien - en vanuit die vreugde zouden we dan verder kunnen werken aan iets met meer betekenis.
Uiteraard wist ik perfect dat ik mijn eigen romantische, vergevingsgezinde persoonlijkheid op hem projecteerde. Dat ik zijn emotionele labiliteit en de daarmee hangende onvoorspelbaarheid onderschatte. Dat ik hem meer rationaliteit en humaniteit toekende dan hij verdiend had. In ieder geval, we gingen de fantasie eens toetsen aan de realiteit. Spannend.

Ik stond voor zijn deur, twijfelde even, verzond drie mentale pleasejes naar niemand in het bijzonder en drukte gespannen op de deurbel. De deur ging niet open en er klonk geen gestommel op de trap. Nerveuzer belde ik nog eens. Toen ik voor de derde keer het hele huis liet rinkelen werd er ergens een "Wat?" op mij geworpen. Hij stond op het balkon. Dit had ik niet verwacht, maar ik wist me toch bijeen te schrapen.
"Hey, euhm, Rex, mag ik bij u blijven slapen?"
"Wat?! Nee!"
Toen wist ik al dat mijn hoop volledig verpletterd mocht worden. Ik probeerde hem echter nog te overtuigen. Dat ik geen slaapplaats had. Dat ik onverwachts hier was beland. Dat ik had proberen bellen. Dat ik gerust op zijn zetel wou slapen. Dat ik morgen direct weg was.
Het baatte niet. Terwijl hij onverbiddelijk een litanie afstak over de nachtrust van werkende mensen, zei ik kalm dat het goed was, dat ik wel iets zou zoeken en ik stapte weg, hem met zijn bittere woorden achterlatend.

Wat moest ik nu? Fucking hel. Op drie dagen tijd geraakte ik van Samothraki tot in België en hier werd me dan de deur gewezen? Fucking aars.

Quasi onmiddellijk dacht ik terug aan die andere keer dat ik veiligheid zocht in Brussel. Verlegen en lichtelijk beschaamd belde ik om middernacht aan bij de vrouw die mij één keer had gezien in haar leven en me die ene keer met meer respect behandeld had dan Rex ooit had gedaan. Geschrokken, haar naaktheid bedekkend met een handdoek, kwam ook zij op het balkon checken wie de stoorzender was. Ze liet me onmiddellijk binnen, zette thee voor me, maakte een bed op en liet me bij haar overnachten zonder dat ik ook maar enige overredingskracht had hoeven gebruiken.

's Ochtends ejaculeerde de zon te veel licht in mijn ogen, waardoor het ontwaken uiteraard pijn deed. Daarbovenop voelde ik me volledig uitgeteld, leeggezogen en uitgeput. Ik probeerde het licht te ontwijken door me onder een kussen te verschansen, wat me dan weer koortsig leek te maken. Ik frutselde een beetje aan het raamkozijn, proberend meer lucht naar binnen te lokken, maar ik had zo weinig (wils)kracht dat ik dat raam nog geen centimeter wist te verschuiven.
Naast de koortsgevoelens bestierf ik het van een hoofdpijn waartegen mijn migraine een lachertje was. Had ik een kater? Volgens andermans beschrijvingen leek het er wel héél hard op... alleen had ik slechts twee pintjes opgedronken de avond ervoor. Koud en warm en bibberend en zwetend en constant mokerslagen opvangend met mijn hoofd nam ik mijn gsm erbij om het uur te checken. Een sms'je van Rex.

'Fucking kutwijf'

Zo, dacht ik onaangedaan en ik vlijde me terug onder het deken, dat ik onmiddellijk weer van me af wierp. Mijn lichaam was te moe, te ziek en de laatste dagen te veel belast om zich druk te maken over zoiets triviaals. Ergens was het idee hem gekloot te hebben, zij het ongewild, best wel bevredigend. Een lichte vorm van compensatie voor de shit die hij mij geleverd had.

Er werd me een kommetje versgebakken, dikbeboterde popcorn voorgeschoteld en ik, die stierf van de honger, nam twee handjes vol en at ze smakelijk op. Waarna ik me tot braken toe misselijk voelde. Rusteloos ging ik het terras op om mijn maag en koorts te kalmeren en hoewel ik beduidend afkoelde, bleef het vuur me vanbinnen verzengen. Ik voelde me zo ellendig dat ik mijn principes opzij schoof en om een pijnstiller smeekte - wie me kent weet dat het dan serieus mis is.
'Passeren jullie vandaag toevallig Brussel?' sms'te ik mijn ouders, die me vervolgens kwamen oppikken. Mijn koorts en hoofdpijn verdwenen geleidelijk, maar zelfs de portie versgebakken frietjes kon niet verhinderen dat ik me geradbraakt bleef voelen.

Thuis, in mijn huis, met mijn hamster, mijn havermout, mijn zetel, mijn laptop, mijn douche, mijn boeken en mijn bed, thuis dus, goot ik de thee weg die al twee maanden in mijn theepot aan het bederven was en vereffende op Facebook de rekening die Rex geopend had. We verweten, kibbelden, braken af en hij moest per se het laatste woord hebben voor hij me blokkeerde:


Ik zou willen zeggen dat dit het dan was, maar in werkelijkheid vliegt hij nog steeds af en toe doorheen mijn gedachten, veelal op momenten dat het echt niet gepast is. Als ik op de borst en in de armen lig van een knappe, intelligente, niet emotioneel-geretardeerde jongeheer, bijvoorbeeld. En dan zucht ik, speel het herinneringsdvd'tje opnieuw af, goed wetende dat ik de gedachten toch niet kan ontlopen, vloek en zucht en treur en ik voel me er gegarandeerd niet gelukkiger door.

Wees eerlijk, Hanne, het is toch niet normaal dat hij boos wordt omdat ik hem vraag in welk kastje ik het keukengerei moet zetten?
Het is toch niet normaal dat hij me altijd afsnauwt?
Dat zijn moeder het voor me moet opnemen? - Rex, doe normaal. Gedraag u eens. Er is toch niets mis met dat jasje? Dat is wel een mooie combinatie. Wat weet gij daar nu van? Zeg zoiets niet.
Dat zijn vrienden hem al lachend onder zijn voeten geven? - Zoiets zegt ge toch niet, Rex. Gedraagt u eens. Zo behandelt ge dat meiske toch niet? Rèèèèèèèèèèèx. Dat meiske heeft niets verkeerd gedaan. Hou u in. Doe normaal. Tegen Rex moet ge niet lief doen, ge moet hem af en toe eens op zijn gezicht meppen, dan luistert hij tenminste.
(Een van zijn vrienden vond het 'sjiek' hoe ik met Rex omging, ergo, hem af en toe eens op zijn plaats wist te zetten met mijn weerwoord. Rex zelf vond niets sjiek aan mij.)
Dat hij me negeert als ik vraag hoe zijn dag was?
Dat hij zelden naar de mijne polst?
Dat hij grapjes van mij negeert, om diezelfde grapjes soms te recycleren tegenover zijn vrienden?
Dat ik hem uitdrukkelijk moet laten beloven niet boos te worden als we gaan magiccen en dat hij toch altijd boos wordt?
Dat ik niet meer durf te spreken noch vragen durf te stellen omdat hij sowieso 1) zal zuchten, 2) me negeren, 3) me aankijken alsof ik hem vraag wie Hitler was of 4) zelfs ronduit zal vragen of ik nu echt achterlijk ben?
Dat ik bang ben wanneer hij me iets vraagt, omdat dit hem de gelegenheid geeft me weer te kunnen beschimpen?
Dat ik me onzichtbaar probeer te maken?
Dat hij me negeert of weglacht als ik vertel dat hij me heeft gekwetst?
Dat ik elk weekend moet huilen?
Dat hij de hele dag geërgerd en gefrustreerd rondloopt en niet in staat is de reden te vertellen?
Dat hij, zonder te polsen of het wel oké is, me zo hard bijt dat ik moet gillen van de pijn en twee weken met een blauw-geel-rode plek rondloop?
Dat hij me constant verwijt dat ik te traag ben? Of te snel? Of te actief? Of te lui?
Dat ik hem drie keer vraag de pijn uit mijn nek te willen masseren en dat hij steevast weigert?
Dat hij me een kwartier lang berispt heeft omdat mijn jasje blijkbaar niet bij mijn outfit paste? - Wat hebt gij nu aan? Dat trekt nu toch op niets? Dat roos met dat... Bah. Dit is echt lelijk. Dat ge dat niet ziet. Eeiih. Doet dit eens aan, want zo gaat ge niet met mij buiten. Nee, dat trekt helemaal op niets. Bah. Ik snap echt niet dat ge dit hebt kunnen combineren. Laat dat jasje maar thuis straks. Kijk, mijn beste vriendin, degene die ik 'niet zo intelligent' heb genoemd, is tenminste wel mooi gekleed, da's wel een deftige combinatie. Dat van u trekt op niets.
Dat hij het kittentje van zijn moeder veel te bruut opzij schuift met zijn voet, omdat hij boos is dat zijn hond dood is?
Dat hij me zonder deftige voorbereiding drugs in handen stopt en alle schuld op mij schuift als het misloopt?
Dat hij altijd alle schuld op mij schuift? - Gij haalt het slechte in mij naar boven. Als gij die vraag deftig beantwoord had, was dit nooit gebeurd. Had ge niet kunnen zien dat ik op een gehandicaptenplaats stond? Ik moet u echt opnieuw opvoeden.
Dat hij niets positiefs in me ziet?
Dat hij geen enkel compliment meer geeft?
Dat hij me overdag nauwelijks kust of knuffelt?
Dat ik het gevoel krijg dat ik hem niet mag kussen of knuffelen?
Dat, als iemand vraagt wie ik ben, hij dat steevast negeert of 'niemand' antwoordt?
Dat hij onze relatie en alle communicatie zo kordaat afbreekt?
Dat hij niets met me te maken wil hebben, maar toch elke gelegenheid zal aangrijpen om me te proberen kwetsen?

Terwijl ik met de glimlach om de lippen zijn met wijn vermengd maagzuur opruimde met keukenpapier zo dun dat zijn kots op mijn vingers sijpelde, gooide hij de lege wc-rol achteloos op mijn badkamergrond en vertikte het om even de wc-borstel ter hand te nemen om zijn nijlpaardenresidu uit het toilet te vegen. Een mooie metafoor voor whatever the fuck wij gehad hebben.

Dat ik nog steeds aan hem denk?

Fuck you.

dinsdag 25 oktober 2016

Samothraki - waar de tijd zo even stil bleef staan

"Beseft gij wel dat ge internationaal geseind staat?"

De ferry is nog maar enkele minuten vertrokken en, terwijl ik ongemakkelijk gebogen over de zetel hang om mijn gsm-lader te dwingen dik tegen z'n goesting in het stopcontact te blijven steken, hoor ik voor het eerst in zes weken tijd mijn vaders stem. Mijn verblijf in Samothraki is uitgelopen, en ferm ook. Een week had ik mezelf gegund, maximaal, doch mijn verblijfsduur werd ongewild zo veelvuldig verlengd tot 'ie verdubbeld was. 

Aansluiting gevonden bij een vriendengroepje dat me stimuleerde langer te blijven. Met enkelen uit dat groepje de deal gesloten dat ze me, verstopt in hun auto, de ferry in, het eiland uit zouden smokkelen. De dag van vertrek die steeds door hen uitgesteld werd en zij die uiteindelijk zonder mij zouden vertrekken, want 'Samothraki'.

Samothraki is een begrip. Het is een eiland waar hippies high kunnen worden van de sterren alleen en, continue sigaretten en joints rollend, claimen geen drugs meer nodig te hebben. Geen enkele pragmatisch ingerichte dagindeling kan in de heersende mentaliteit overleven, wat het opstellen ervan reduceert tot een nutteloze vrijetijdsbesteding, een gedachte die je even overvalt in je hangmat en dan weer als sigarettenrook vervliegt. Slechts weinigen kennen hun datum van vertrek en nog minder houden zich daar effectief aan vast. Dit eiland is er eentje van onzekerheden, go with the flow, zien wat de dag brengt, carpe diem en andere wazigheden. Het verbaasde me bijgevolg niet zo hard dat mijn vrienden gisteren niet op het afgesproken uur bij de haven waren. 

Ik had een rotavond vol intermenselijke teleurstellingen achter de rug - het was maar een schrale troost dat mijn bed die nacht uit de marmeren vloer van een antieke tempel bestond. Kotsbeu, ik was alles en iedereen kotsbeu.

Het eeuwige gewauwel en de nauwelijks verholen trots over alle drugs die men ooit genomen had. 
Het woord 'leider' niet kunnen verteren omdat dat zelfstandig naamwoordje insinueert dat er een sociale rangorde tussen de mensen is, boo fucking hoo, maar tegelijkertijd slordig verborgen superioriteitsgevoelens koesteren ten opzichte van de 'Babylon people' aka 'Jan van achter de hoek met zijn pet verkeerd op het hoofd'. 
De Samothrakische laksheid die ervoor zorgt dat je je helemaal geen zorgen maakt als je een dronken deeltje van je groepje 's nachts verliest, de Samothrakische luiheid die verhindert dat je hen zoeken zal en de Samothrakische onverschilligheid als je hen na enkele uren toevallig gevonden hebt. 

Ik had het mentale stadium bereikt waar iedereen gaarne verrotten mocht. 
Kots. Beu.

Om zes uur 's ochtends rolde ik mijn slaapzak op, nam afscheid van de mensen waar ik nog enige sympathie voor voelde en negeerde hen waar ik een paar dagen ervoor nog een fikse portie genegenheid voor bewaard had. Met mijn ziel onder mijn armen gekneld vertrok ik vermoeid naar de haven, waar ik rond zeven uur aankwam. Vier uur voor afspraak. Chill. Ik sleepte het wrak waarin mijn teleurstelling huisde naar het strand en liet het daar vallen op een stukje waar de zon het al kon bereiken. Slapen kon ik niet meer, maar ik was moe en had tijd te doden.
Om tien uur 's ochtends liet ik een inheemse dame een sms'je sturen naar mijn vrienden. Mijn gsm was al enkele dagen plat en ik had de fut en de punctualiteit gemist hem in een van de schaarse cafeetjes op te laden (Samothraki!), waardoor ik nu volledig onbereikbaar was. Ik kuierde door het kleine winkelstraatje en zette me neer bij het meest duidelijke herkenningspunt dat ik vond: een standbeeld in het midden van het plein. Daar wachtte ik de dag verder af.
Om elf uur wachtte ik daar nog steeds. Dit was ons afgesproken uur geweest en met een lichte ongerustheid wist ik met andermans sms'en eindelijk mijn vrienden te bereiken. Ze hadden vertraging opgelopen (Samothraki!), waren onderweg, zouden binnen vijftien minuten arriveren en ik moest bij de minimarket - bij dit deel wees de smartphone-eigenaresse de te volgen richting uit - op hen wachten. Met een opgelucht hart kuierde ik weer door het winkelstraatje, wist een eigenaar te overtuigen me brood te geven, at twee perziken die ik vond en plukte zo'n twintig vijgen van een boom. Nu zou ik een asteriskje kunnen plaatsen en daar vermelden dat twintig vijgen eten een daad op eigen risico is, maar omdat iedereen toch naar de verdommenis mag gaan, vertik ik het. Rauwe tongen en blaasjes voor iedereen.
Om twintig over elf steeg de ongerustheid/irritatie weer een leveltje omhoog.
Om half twaalf wist ik hen de laatste keer te contacteren. Nog vijf minuten, dan zouden ze er zijn.
Om twintig voor twaalf stierf ik van de stress.
Om kwart voor twaalf probeerde een hulpvaardige dame hen te bereiken, zonder resultaat.
Om twaalf uur verliet de ferry de haven en ergens op dat eiland stond een meisje, dat toen overduidelijk volledig gebroken was, alle opgebouwde frustratie, teleurstelling en verdriet toe uit haar ogen te stromen. De dame belde nog eens en wist te vertellen dat ik aan de verkeerde minimarket had gestaan, dat mijn vrienden tot het einde gewacht hadden en als allerlaatste auto waren ingescheept en dat ze mijn rugzak, die we gemakshalve al op voorhand in de koffer hadden gelegd, mee hadden genomen en ergens aan de andere kant van de zee zouden verstoppen. Nog meer tranen huppelden mijn ogen uit toen ik snotterde dat mijn paspoort en bankkaart daar aan het varen waren.

Als wrak pingelde ik een sigaretje los en liftte ik terug naar het hippie-epicentrum van het eiland. Ik bewandelde de weg die ik al te veel keren begaan had, ik klauterde in het bos over de rotsen, het beekje over en struinde moedeloos naar de zeldzame connecties die nu nog overbleven.
"... What are you doing here? What happened?"
"Samothraki"
en ik plofte een hangmat in.
Iemand bood aan nog eens naar mijn vrienden te bellen om enige duidelijkheid omtrent het logement van mijn rugzak te achterhalen. Futloos stemde ik toe. Het duurde een aantal keren voor er opgepakt werd, maar er kwam alleszins een interessante mededeling uit de hoorn vallen; ze hadden mijn rugzak niet meegenomen, ...Nee? Yesyesyesyes! ze hadden hem verstopt en plein public in de haven. ...Nee? Nee. Neeneeneenee. Fuckingshithellklotekutterezooi. Mijn rugzak, mijn paspoort en bankkaart lagen ergens open en bloot in de haven waar ik daar-fucking-juist was en nu kon ik, mentaal volledig leeggezogen, nog eens het half uurtje terug wandelen door het bos, over de stenen en de rivier, terug de stad in, om daar weer eens te liften?
Fucking hell.
Ik schoof naar de zeldzame connecties toe en vroeg hen op het smekende af of iemand me wou vergezellen, want ik ontbrak de wilskracht het alleen te doen.
"So you're asking us if we want to walk with you to the city, climb through the forest, hitchhike to the port and get all the way back, only to get your bag? Sounds like a nice idea.", en ze legden zich wat gemakkelijker op hun deken, niet van plan om zich door iets of iemand uit hun chillaxte Samothrakigemoedstoestand te laten afleiden.
Mijn "Really? Does no one want to come with me?" werd zonder overtuiging, maar met erg veel hartenzeer tegen de wind gefluisterd. Ik draaide me om en hees me in mijn hangmat, verbaasd dat ik nog harder terneergeslagen kon worden door de mensheid dan ik al was.

"If you can wait an hour, I'll come with you to the port", sprak de andere hangmat. Een uur? Ik dacht aan mijn rugzak en mijn portemonnee en het liefst van al vloog ik er direct naartoe, maar ik had geen vleugels en mijn lichaam en ziel waren moe, zo verdomd moe. Een uurtje dan, en ik sloot mijn ogen voor mijn zorgen.

Nu zou ik kunnen vertellen over hoe ik en Adonis naar mijn rugzak zochten en hem niet vonden. Ik zou ook wederom een asterisk kunnen plaatsen, deze keer bij 'Adonis', met de melding dat dit een authentieke Griekse naam is. Dat ik zelfs met Artemis, Mythos, Sophocles, Socrates en fuckin' Zeus heb gesproken. Dit doe ik echter niet, net zoals ik evenmin tijd en letters wil verkwanselen aan hoe ik bijna in lachen uitbarstte van de miserie toen mijn rugzak onvindbaar bleef.
Misschien zou ik moeten melden dat ik Adonis rond de hals vloog toen hij opeens aan kwam zetten met... mijn rugzak. Misschien zou ik de euforie moeten beschrijven, het eerste spoortje van geluk dat me die dag wist te bereiken en hoe intens dat was.
Misschien moet ik jullie laten walgen door te zeggen dat ik mijn zakken met geitenschedels, die ook in de koffer hadden gelegen, ging zoeken en in plaats van deze een uitgedroogd kattenkarkasje vond, dat ik van de plastic ton afschraapte en in mijn rugzak (praktisch, zo'n dingen) propte, op het volledige geitenskelet dat er al in gesjoemeld was, evenals enkele schedels van vogels, eentje van een schildpad, meerdere van geiten en eentje die van een dolfijn bleek te zijn, twee vogellichaampjes, een potje met insecten, zee-egels en wat stukjes koraal.
In plaats daarvan fastforwarden we van dit moment naar de daaropvolgende dag, toen ik in de ferry zat en eindelijk kans had gezien mijn gsm op te laden.

Vijf sms'jes. Twee bezorgde van mijn ouders, waarop ik ogenblikkelijk repliceer met een 'Alles is goed, ik zit op de ferry en kom naar huis'-berichtje. Net wanneer ik me op Facebook wil storten, belt mijn vader.
Waarom ik niets van me heb laten horen?
Of ik wel besef dat ik internationaal geseind sta?
Dat mijn ouders de cel vermiste personen hebben gecontacteerd.
Dat ze gisteren de hele ochtend in het politiekantoor hebben doorgebracht.
Dat iedereen doodongerust is.
Dat ze met mijn vrienden hebben gepraat. Met Damian.
Dat mijn oma dacht dat ik zelfmoord had gepleegd.
Dat ze veel van mij te weten zijn gekomen.
Officiële en Facebookopsporingsberichten.
Tranen en slapeloze nachten.

Ik ben perplex. Na het telefoontje probeer ik mijn plan om wat uit te rusten verder op te volgen, maar mijn gemoed gaat wild te keer en slapen is een onmogelijkheid geworden, want er knaagt een immens schuldgevoel pijnlijk aan mijn amygdala. Ik heb niet het gevoel dat ik iets verkeerds heb gedaan, maar de al dan niet terechte schuld bijt en knaagt en scheurt stukken uit mijn vlees en ik ben verdrietig, schuldbewust, maar ook gefrustreerd en pisnijdig op wat ik enkel als 'overbodige hysterie' omschrijven kan.

Misschien is deze mengelmoes aan emoties nog het meest te wijten aan mijn teleurstelling in dit eiland. Want hoewel de bossen verrukkelijk magisch waren, de tientallen watervallen en meertjes hun charme hadden, er een natuurlijke warmwaterbron aanwezig was en het plankton licht gaf als je 's nachts in de oceaan zwemmen ging, was deze ervaring toch geen twee weken van mijn tijd waard geweest. Officieel als vermist worden opgegeven was de verrotte kers op de bedorven taart.

Ik moest en ik zou zo snel mogelijk terug naar België geraken.